Zaak-Nijkamp: hard rapport, maar geen straf

Commissie-Zwemmer ziet ‘twijfelachtige onderzoekspraktijk’.

Na bijna twee jaar van geruchten, opzienbarende publicaties en over elkaar heen tuimelende onderzoeken lijkt de (zelf)plagiaataffaire rond de Amsterdamse economie-hoogleraar Peter Nijkamp een voorlopig einde te hebben gevonden. Vorige week was er nog korte hoop op eerherstel, toen er op een detail een voor hem gunstige beroepsuitspraak was. Maar vandaag verschijnt een hard rapport van de VU-commissie Zwemmer die het gehele oeuvre van Nijkamp heeft getoetst. De typering van dat oeuvre is: ‘een twijfelachtige onderzoekspraktijk’. De Vrije Universiteit, Nijkamps Alma Mater, accepteert het rapport, maar legt de hoogleraar, die vorig jaar met pensioen ging, geen sancties op, mede door de gecompliceerde juridische regels.

Opvallend detail: tot vlak voor publicatie hield de VU rekening met een kort geding van de hoogleraar tegen de commissie. Dat bleef echter uit. Voorlopig geldt: geen straf, wel reputatieschade voor Nijkamp. Een reactie van Nijkamp op het rapport moet overigens nog komen.

Bijna vijftien maanden is de commissie-Zwemmer bezig geweest met een analyse van 261 publicaties van VU-econoom Peter Nijkamp. De commissie kreeg opdracht van de VU om het gehele oeuvre van Nijkamp te controleren op het zonder bronvermelding hergebruiken van teksten uit eerder gepubliceerd eigen werk (al dan niet met co-auteurs). Anders gezegd: op zelfplagiaat. Ook moest de commissie kijken naar het zonder bronvermelding overnemen van andermans teksten: op plagiaat dus. Analyse van Nijkamps complete productie van 2330 publicaties tussen 1970 en heden bleek ondoenlijk, maar de commissie kon zich een beeld vormen van Nijkamps omgang met bronnen op basis van een selectie van 261 publicaties, gepubliceerd tussen 1995 en 2013.

Als het gaat om zelfplagiaat is het oordeel van het rapport-Zwemmer stellig: de overlap met eerdere eigen publicaties is te groot. Knip- en plakwerk is niet per definitie laakbaar, aldus het rapport, maar bij Nijkamp heeft dit „zodanige vormen aangenomen dat sprake is van een Questionable Research Practice (QRP), twijfelachtige onderzoekspraktijk.

Deze term ontleent de commissie aan een ‘briefadvies’ van de Commissie Citeren van de KNAW, die was ingesteld op verzoek van de VU nadat de zaak Nijkamp losbarstte. Dit advies moest helderheid creëren over het recyclen van eerder eigen werk. In de officiële ‘gedragscode wetenschappelijke integriteit’ van Nederlandse universiteiten staat sindsdien dat wetenschappers door ‘correcte bronvermelding’ duidelijk moeten maken wanneer een publicatie (deels) al eerder is gepubliceerd.

Opvallend is dat de commissie Zwemmer geen uitspraak doet over de vraag of Nijkamps ‘twijfelachtige onderzoekspraktijk’ een integriteitsschending is in de zin van deze gedragscode, omdat de code die aan het begin van de zaak-Nijkamp gold geen bepaling bevatte over hergebruik zonder bronvermelding van eerder eigen werk. Maar het rapport meldt wel: „Ook in 1995 was al duidelijk dat hergebruik van eigen teksten zonder bronvermelding problematische vormen kan aannemen.”

Het College van Bestuur neemt daarom zelfs het oordeel ‘twijfelachtige onderzoekspraktijk’ uit het rapport-Zwemmer om juridische redenen niet over, zo laat de rector magnificus van de VU, Frank van der Duyn Schouten, weten. Omdat deze term alleen voorkomt in het ‘briefadvies’ en niet in de recent vernieuwde gedragscode van de Nederlandse universiteiten, vreest de VU in een juridisch moeras terecht te komen. De VU vindt het nu belangrijker om herhaling van ongewenste vormen van recyclen van eigen teksten te voorkomen door goede scholing van medewerkers (en studenten) en wil het daarom laten bij openbaring van het rapport-Zwemmer.

Minder duidelijk is het oordeel van de commissie over mogelijk plagiaat in werk van Nijkamp. De commissie vond met behulp van plagiaatscanner iThenticate 29 publicaties waarin zonder bronvermelding tekstdelen van meer dan vijftig woorden uit werk van derden is overgenomen. Daaraan heeft de commissie verder geen aandacht besteed omdat „veelal niet duidelijk [was] welke publicatie als eerste aan de uitgever is gestuurd”. Ook zou het in deze gevallen „nooit meer dan een of enkele zinnen” betreffen.

Maar uit de bijlagen van het rapport blijkt duidelijk dat er bij acht publicaties vele jaren tussen Nijkamps publicatie en de mogelijk geplagieerde publicatie zitten. Drie van deze publicaties bevatten bovendien aanzienlijk meer dan een of enkele zinnen overlap.