Veren tellen

Richard C. McGregor was de eerste die aandachtig vogelveren telde. Hij plukte twee soorten - savannahgors (Passerculus sandwichensis) en Beringmeeuw (Larus glaucescens) – en kwam uit op 1.899 bij de gors en 6.544 bij de meeuw.

Omdat hij er kennelijk geen brood in zag om nog meer veren te tellen, publiceerde hij dit resultaat in 1902 in The Condor. Hij had er welgeteld 91 woorden voor nodig. Een aanvulling kwam pas in 1933 toen Phoebe Knappen haar klassieker ‘Number of Feathers on a Duck’ in The Auk publiceerde: 11.903 bij de wilde eend (Anas platyrhynchos). Daarmee was de trend gezet. Alexander Wetmore liet in 1936 de veren van 146 exemplaren van 79 zangvogelsoorten tellen en maakte daar goede sier mee in The Auk. Een belangrijke aanvulling verscheen een jaar later in hetzelfde vogelblad: de fluitzwaan (Cygnus columbianus) telt 25.216 veren, waarvan 20.177 op kop en nek. Dat is nog steeds een recordaantal, bij één vogel.

Dat dit alles niet voor niets geweest is, bewees een recente publicatie in Avian Research (3 februari 2015). Daarin werden alle ooit getelde veren bij elkaar geveegd en luidde een van de conclusies: ‘Grote vogelsoorten hebben meer en zwaardere veren’.