Column

Impasse (3)

Het sonnet Impasse van Martinus Nijhoff blijft lezers fascineren, merk ik na er twee columns over geschreven te hebben. Mij bereikten allerlei nieuwe interpretaties en verwijzingen. Ik kom er daarom nog één keer op terug.

Het gedicht gaat over een vrouw en een man („zij en ik”) in een keuken, de man vraagt haar: „Waarover wil je dat ik schrijf?” Onder zijn creatieve impasse lijkt een relatiecrisis te schuilen. Nijhoff schreef twee versies van de slotstrofe. In de eerste versie (uit 1935) laat hij de vrouw antwoorden: „Ik weet het niet.” In de tweede versie (uit 1936): „Een nieuw bruiloftslied.”

Een lezer schreef me dat die tweede versie als een optimistisch einde moet worden gezien, zoals blijkt uit de open brief die Nijhoff in 1936 aan de historicus Johan Huizinga schreef. Nijhoff schreef deze versie nadat hij zich had laten inspireren door Huizinga’s boek In de schaduwen van morgen. Dat is waar, maar ik moet er opnieuw op wijzen dat Nijhoff voor een bundeling in 1947 terugkeerde naar het negatievere einde met „ik weet het niet”.

Andere kwestie: had het gedicht een autobiografische achtergrond? Ik wisselde daarover van gedachten met Niels Bokhove, filosofie- en literatuurhistoricus. Hij schreef de literaire stadsgids Awaters spoor over Nijhoffs verblijf tussen 1933 en 1941 in Utrecht, de bloeitijd van zijn dichterschap.

Volgens Bokhove beschrijft Nijhoff hier een scène tussen hem en zijn minnares Josine (‘Jootje’) van Dam van Isselt, docente klassieke talen in Utrecht. Het zou zich afspelen in de keuken van haar woning aan de Herenstraat 29 in Utrecht, een adres waar Nijhoff regelmatig kwam. Josine had hij in 1932 leren kennen.

Hij was toen nog getrouwd met Netty Wind, met wie hij een zoon (Faan) had gekregen. Zij waren uit elkaar gegaan, toen Netty haar lesbische geaardheid ontdekte – maar een scheiding wilde zij nog niet. Nijhoff kon het niet veel schelen. „De schoen van het huwelijk heeft mij nooit gekneld, omdat ik hem eigenlijk nooit heb aangetrokken”, schreef hij haar in 1940.

Bokhove vond in 2007 bij toeval 46 brieven van Nijhoff aan Josine. Eén lyrisch citaat: „Zeg aan Pijke [de schilder Pyke Koch] dat hij niet wijs is, als hij meent, dat U voor een dichter van minder waarde zou zijn dan voor een schilder. U bent een fontein van kristalhelderen bewustheid, die allen geestelijk laaft.”

In 1947 liet Nijhoff Josine vallen ten faveure van de actrice Georgette Hagedoorn. Hij zou dat nogal lomp hebben gedaan. Zoon Faan zei erover: „Ze hadden een afspraak op het Voorhout en midden op straat zei hij het haar (…): ,Het is uit’, en hij liep weg.” Josine schreef later aan een vriendin: „Pom zelf droogde in de trein, want ik reisde mee naar Den Haag, met zijn zakdoek mijn eerste tranen. (…) Hoe toegewijd hij al die jaren altijd voor mij is geweest, hoe aanhankelijk.”

Is Josine inderdaad de vrouw uit het gedicht – hoopt zij op een ‘nieuw bruilofslied’ – of is het toch Netty, die liever niet van hem wilde scheiden?

Dat wordt niet duidelijk. Bokhove suggereert dat beide vrouwen misschien in de vrouwenfiguur uit het gedicht samenvallen. Wie weet. Ik moet er schuldbewust aan toevoegen: het is verleidelijk zo’n gedicht autobiografisch te interpreteren, maar het is per definitie een te beperkt uitgangspunt.

Hoe liep het met de ‘hoofdpersonen’ af? Nijhoff trouwde in 1952 met Georgette en overleed nog geen jaar later, Netty stierf in 1971, Josine in 1979.