Fiscus int 1,6 mld bij zwartspaarders

De Belastingdienst traceerde circa 8 miljard euro waarover geen belasting was betaald, maar er is nog veel meer.

In de jacht op zwart geld heeft de Belastingdienst in de afgelopen dertien jaar zeker 8 miljard euro weten te traceren bij bijna 35.000 ‘zwartspaarders’. Dat bracht aan naheffingen en boetes bij elkaar ruim 1,6 miljard euro op, blijkt uit een inventarisatie van deze krant.

Het gros van het opgespoorde geld is via de zogeheten ‘inkeerregeling’ vrijwillig aangemeld. Die regeling bestaat sinds 2002; ruim 29.000 fiscale spijtoptanten maakten er gebruik van. De druk op hen nam toe toen Nederland in 2010 een verdrag sloot met Zwitserland om toegang te krijgen tot bankgegevens van Nederlandse rekeninghouders bij Zwitserse banken. Tegelijkertijd werd de inkeerregeling verruimd waarbij de boetes tijdelijk werden verlaagd of zelfs geschrapt.

Ook ging de Belastingdienst meer gebruik maken van anonieme tipgevers. Of die laatste methode standhoudt, moet nog blijken, nu de fiscus hierover verschillende rechtszaken heeft verloren. In de loop van dit jaar wordt een definitief oordeel van de Hoge Raad verwacht. De belangrijkste vraag die voorligt, is of ambtenaren mogen weigeren de naam van een tipgever te noemen.

Na 2010 werd de inkeerregeling herhaaldelijk verlengd. Tot 1 juli geldt een boete van 30 procent op de ontdoken vermogensbelasting. Een woordvoerder van de Belastingdienst zegt dat de aanslag van zeker 5.000 spijtoptanten die zich vorig jaar meldden nog moet worden opgemaakt.

In een rapport uit 2011 betoogde adviesbureau Strategy& dat de vrijwillige inkeerregeling van de Belastingdienst weliswaar miljarden heeft opgeleverd, maar dat er alleen al bij Zwitserse banken ook nog 20 miljard euro aan Nederlands vermogen ligt. Dat is bijna acht keer zoveel als de fiscus nu actief in Zwitserland heeft opgespoord. Een woordvoerder van de Belastingdienst nuanceert: „Niet al het vermogen in Zwitserland is zwart. Veel Nederlanders gaven hun Zwitserse geld altijd al netjes op.”

Zwart geld opsporen had lang geen politieke prioriteit. Ambtenaren van de Belastingdienst liepen jarenlang tegen een muur op bij hun bazen op het ministerie van Financiën in hun ambitie om in het buitenland verborgen vermogens op te sporen.

Tipgevers

Toen zich in 1995 een Belgische tipgever bij de Belastingdienst had gemeld met gegevens van duizenden Nederlandse rekeninghouders bij de Krediet Bank Luxemburg (KB-Lux), wilde FIOD-opsporingsambtenaar Ton Apeldoorn daar graag mee aan de slag. De FIOD overwoog de tipgever financieel te belonen, zoals die had gevraagd, maar daar kwam geen toestemming voor. Afgezien van juridische en ethische bezwaren, was er „op het departement nu eenmaal minder enthousiasme dan bij ons”, zegt Apeldoorn. „We hadden tips zat.”

Een woordvoerder van de Belastingdienst beaamt dat er aanvankelijk weinig animo was om zwarte spaartegoeden in het buitenland op te sporen en te belasten. „Bewindslieden vonden belastinginning destijds al vervelend genoeg.” Pas onder staatssecretaris Jan-Kees de Jager (CDA) kwam de jacht op zwart geld hoger op de agenda.

Financiële crisis

Dat had alles te maken met de financiële crisis die in 2008 was uitgebroken. Miljarden aan belastinggeld werden gebruikt om de financiële sector overeind te houden. Het besef groeide dat een grote groep vermogende Nederlanders daar totaal niet aan bijdroeg. Daarnaast groeide de internationale druk op belastingparadijzen.

De Jager sloot het verdrag met Zwitserland en verruimde de inkeerregeling, die al in 2002 was ingevoerd nadat via de Belgische fiscus de KB-Luxgegevens van ruim 5.000 Nederlanders toch boven water waren gekomen. Die zaak leverde de schatkist ruim 230 miljoen aan naheffingen en boetes op.