Dilemma’s voor de kiezers

Het zal niet alle kiezers in Zuid-Holland al zijn opgevallen, maar woensdag kunnen zij stemmen op bijvoorbeeld Geertjan Wenneker uit Lisse, lijsttrekker van D66. Zoals de Noord-Hollanders een vakje kunnen kleuren achter de naam van Elisabeth Post of een andere VVD-kandidaat. In Groningen kan een PvdA-aanhanger onder anderen op Willem Moorlag zijn stem uitbrengen, in Noord-Brabant kunnen CDA’ers dat op Marianne van der Sloot doen. Enzovoorts. Twaalf provincies, een variabel aantal kieslijsten.

Maar meer dan ooit zijn deze Provinciale Statenverkiezingen in de campagne gekaapt door de landelijke politiek. Vooral via debatten op televisie, die gingen over jihadisme, wel of niet bezuinigen op de rijksbegroting of over het algemene beleid van het kabinet-Rutte II. Nochtans kunnen kiezers niet op Wilders (PVV) of Roemer (SP) stemmen, hoezeer zij ook met micro- en megafoon in de weer waren. Zij spraken over zaken waarover Statenleden, degenen die woensdag verkiesbaar zijn, weinig tot niets te vertellen hebben.

De reden is bekend: het kabinet van VVD en PvdA, dat dankzij rechtstreekse, nationale verkiezingen in 2012 op een (inmiddels krappe) meerderheid in de Tweede Kamer kan rekenen, heeft een wankele basis in de Eerste Kamer. En die staat woensdag ook op het spel. Zo moeten kiezers in Gelderland een afweging maken: vinden zij de doortrekking van de A15 voorbij Nijmegen het belangrijkst of bepaalt hun mening over het kabinet hun stem? Moet de kiezer in Utrecht erop letten hoe partijen met het vele historische erfgoed in hun provincie omgaan of zijn ze (juist niet) uit op de val van Rutte II?

Het zijn absurde dilemma’s, die voortkomen uit een anachronisme in het kiesstelsel. Stammend uit de negentiende eeuw, toen koning Willem I, aangemoedigd door de Belgen in Zuid-Nederland, de Eerste Kamer instelde, tegenover de Tweede Kamer. Hij koos zelf de leden ervan en bekleedde hen met macht. De afscheiding van België bracht daarin geen verandering en ook de verzuchting van Thorbecke, ontwerper van de Grondwet van 1848, mocht niet baten. Hij vond de Eerste Kamer een instelling „zonder grond en doel”.

De belangrijkste verandering was dat Provinciale Staten voortaan de senaat kozen, zodat Wenneker, Post, Moorlag en Van der Sloot straks, in mei, op een partijgenoot zullen stemmen, als ze zich niet vergissen (wat weleens is voorgekomen).

Zo zijn provinciale verkiezingen, waarvan de opkomst de laatste jaren rond de 50 procent schommelt, mede bepalend voor de toekomst van het kabinet. Het staat de kiezer vrij om bij zijn stem daar al dan niet rekening mee te houden. Maar een onbevredigende en in wezen ondemocratische situatie blijft het.