Diefstal bij huurder dupeert ook verhuurder

Deze rubriek belicht elke dinsdag kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Vandaag: huur en ondernemingsraad.

De brutalen hebben de halve wereld en dat gold zeker voor de mannen die op een zaterdag in 2011 om acht uur ’s ochtends met een vrachtwagen 37 rijplaten van 800 kilo stalen van een bouwlocatie. De buurt zag het gebeuren, maar dacht dat het zo hoorde. De rijplaten, met een totaal gewicht van 30 ton, waren gehuurd door een aannemer. Ze vormden een platenbaan op een drassig, vrij lang tracé waarin sleuven gegraven moesten worden. De aannemer had de huur mondeling gesloten. Er was niet afgesproken of en door wie de platen eventueel verzekerd zouden worden. Rijplatenhuur is ook niet erg duur: het gebruik van 37 platen gedurende een week kost 128 euro.

De verhuurder van de rijplaten eist van de aannemer volledige vergoeding van de schade: 28.000 euro. Hij vindt dat de aannemer de platenbaan met hekken had moeten afsluiten of elke avond de platen moeten verwijderen en ze daarna bewaakt had moeten stallen.

Maar kun je dat wel verwachten bij een dergelijk uitgestrekt tracé? De rechter vindt van niet. Dat kan alleen als de verhuurder dat tevoren heeft bedongen. Dat geldt ook voor de hekken. Bij een dergelijk lang tracé kan een verhuurder dat niet stilzwijgend verwachten. Dat moet dan expliciet worden afgesproken. Zo’n brutale diefstal ligt ver buiten het normale verwachtingspatroon. De aannemer is dus voldoende zorgvuldig geweest.

De verhuurder vindt ook dat de schade niet voor hem is op basis van het wettelijke begrip „verkeersopvattingen”. Ofwel, wat in de samenleving zoal redelijk wordt gevonden. Hier zegt de rechter dat wie voor een laag bedrag iets verhuurd dat bij diefstal erg duur blijkt, dat risico alleen bij de huurder mag leggen als hij hem daar tevoren op wijst. Dan had de aannemer zich eventueel kunnen verzekeren. De schade blijft dus voor rekening van de verhuurder.