‘Deze parel moet je koesteren’

Wat doet zo’n waterschap nou eigenlijk, waar de kiezer morgen ook voor mag stemmen? „Waar het écht om gaat, is water”, zegt de langstzittende dijkgraaf van het land. „Daar kom je pas echt achter als er een overstroming is, de waterzuivering kapot is en je je poep niet meer weg krijgt.”

Alfred van Hall. dijkgraaf van waterschap Hunze en Aa's. op de dijk bij het Groningse Termunterzijl. Foto Kees van de Veen

Je zou er moe van worden. Altijd maar weer uitleggen wat een waterschap eigenlijk doet. Waarom het bestaat. En wat het nut is om, zoals morgen, je stem uit te brengen op een kandidaat voor het waterschap.

Alfred van Hall (67) is het wel gewend. „Ongeveer elke zeven jaar is er discussie over het opheffen van waterschappen. Het is een soort varkenscyclus.” De langstzittende dijkgraaf van Nederland glimlacht, achter een kopje koffie in een hotel in Zwolle. En vertelt dat de discussie over het bestaansrecht van de waterschappen al decennia lang wordt gevoerd.

Van Hall: „Ik ben in mijn studie rechten afgestudeerd op de mogelijke opheffing van waterschappen door het kabinet Den Uyl. Dat plan uit 1973 ging van tafel, na een advies van de zogenoemde Diepdelverscommissie. Google dat maar even. Later kwamen we in de Grondwet terecht, en in de jaren negentig kwam er een Waterschapswet. Zo hebben we overleefd.”

Er is nu minder debat over het voortbestaan van de waterschappen dan bij de vorige verkiezingen, toch?

„Op dit moment is het vrij rustig.”

Hoe komt dat?

„Wij zijn de afgelopen jaren geprofessionaliseerd. Wij zijn wellicht de enige democratie in dit land die probleemloos draait. Waar je rust in de tent hebt. Die innovatief is. En die maar tweeënhalf miljard euro per jaar kost.”

Maar binnenkort zal de discussie weer beginnen? Na zeven jaar?

„Ik kan me niet voorstellen dat er de komende jaren weer een discussie over opheffing komt. Er is een deltacommissaris die zegt: ik heb de waterschappen nodig om mijn land op orde te krijgen. Ook al zou je tegen waterschappen zijn, dan moet je ze nu niet weg doen. Er is te veel aan de hand. We moeten het deltaprogramma realiseren. Daar hebben we onze energie voor nodig. Niet voor het veranderen van structuren. Wij hebben in Nederland altijd de neiging te denken dat problemen worden opgelost door de structuur te veranderen.”

U zei onlangs: de verkiezingen voor de waterschappen worden verdrukt door de provinciale verkiezingen.

„Inderdaad. Het is al lastig te bepalen welke partij je moet kiezen voor jouw provinciale belang en of je wilt laten meewegen wat jouw stem betekent voor de samenstelling van de Eerste Kamer. En daarnaast komen ineens die 23 waterschappen in beeld en die zeggen als een muis tegen de olifant: wij zijn er ook nog, mogen wij alsjeblieft duidelijk maken hoe belangrijk wij zijn om te overleven in deze delta.”

Wat is het belang van waterschappen?

„Eén van onze kroonjuwelen is dat we zelf belasting innen. Dat is een zegen voor dit land. De basale structuur voor overleven wordt gegarandeerd door de bijdrage van de burger daaraan. Je verdrinkt niet. Je hebt geen wateroverlast. Je huisbezit wordt beschermd. Water voor de wc en de douche gaat naar een machine die het schoonmaakt. En we zorgen dat het stedelijk en landelijk gebied aangenaam wordt ingericht. Zodat je er lol aan hebt tijdens het fietsen. En dat allemaal voor de prijs van een pak melk per dag.”

U zegt: we doen het zó goed dat je ons niet moet opheffen.

„Ik werk al zo lang in de waterschapswereld en altijd heb ik gezegd: deze parel moet je koesteren. Als waterschappen hun taak zouden verzaken en grote delen van het land onder water zouden staan en het vuile water niet zou worden schoongemaakt, dan zouden de mensen zeggen: nu is het afgelopen, weg met die amateurs. Maar het tegendeel is het geval.”

Waarom zijn de verkiezingen voor waterschappen dan zo onbekend?

„Ik ben ervan overtuigd dat de meeste burgers de waterschappen niet willen opheffen. Maar het is nog wat anders om van burgers te vragen om naar een stemhokje te komen. Dat is een moeilijke stap. En laten we eerlijk zijn: dat geldt ook voor de provincies. Mensen kennen veelal de gedeputeerden niet. Is daarmee de provincie een overbodige bestuurslaag? Ik denk het niet.”

Dus als er straks opnieuw maar heel weinig kiezers zullen stemmen...

„Dan is dat niet het signaal dat de waterschappen het niet goed doen of dat we de waterschappen maar moeten opheffen. Doen we Europa weg omdat er maar weinig mensen opkomen bij de Europese verkiezingen?”

Maar wat heeft de kiezer te zoeken in zo’n weinig politieke democratie?

„Er is weinig partijpolitiek in de waterschappen. Laten we daar blij om zijn. Waterschappen zijn gericht op consensus. Vijftien jaar geleden kwamen de politieke partijen de waterschappen binnen. Dat heeft voor een kwaliteitsverbetering gezorgd. Vroeger kon iedereen met een leuke kop en een goed verhaal in de krant in het waterschapsbestuur komen. Nu moet je eerst op de lijst zien te komen, en word je gescreend.”

Is er nooit ruzie in een waterschap?

„We hebben nooit ruzie. Er wordt ons verweten dat we duf zouden zijn. Dan zeg ik: moet ik het leuk vinden als men elkaar in de haren vliegt? Is het niet fijn dat consensus de basis vormt van de besluitvorming? Dijkgraven zijn consistent, behoudend en meer van de lange termijn. Ze voelen zich prettig bij rust en stabiliteit. Het gaat om wat we over twintig of dertig jaar gaan doen.”

Maar er is toch wel debat?

„Zeker. Sommige partijen, bijvoorbeeld de PvdA, maken zich vooral zorgen of we niet te duur worden voor de bijstandsmoeder. Het CDA wil vooral opkomen voor het landelijk gebied. De VVD wil vooral de ondernemer helpen. Vervolgens heb je nog de belangenpartijen. Sommige partijen gaan voor de natuur, voor de ecologische doelen.”

Als er een watersnood komt, zal dan het opkomstpercentage hoger liggen?

„Zou kunnen. Er is een trigger nodig om mensen in beweging te krijgen. Maar het zou toch heel triest zijn als er opnieuw, zoals bij de watersnoodramp, 1.836 mensen moeten verdrinken om ons dat te laten beseffen? Mensen weten nu vaak helemaal niet wat wij doen. Het gaat om de bouw van dijken. Om een gemaal. Om een waterzuiveringsinstallatie.”

Maar heb je daar een democratisch gekozen bestuur voor nodig?

„Ik zeg: ja. Want je hebt keuzes. Hoe hoog of breed wil je de dijk maken? Welk gebied komt het eerst aan de beurt? Gaan we meer in de stad dan op het platteland doen?”

Brand bestrijden is ook belangrijk. En de brandweer is geen democratie.

„Ik zeg: hoed je ervoor om iets wat goed is, weg te doen.”

Is water belangrijker dan vuur?

„De brandweer kan pas naar een brand rijden, als de weg daarheen droog is. Zonder waterveiligheid kunnen we in dit land niet wonen, en is het onbestuurbaar. Waar het echt om gaat, is water. Pompen of verzuipen. Dat besef dringt pas weer door als er overstromingen zijn, of als de waterzuivering kapot is en je je poep niet meer weg kunt krijgen. Daarom is het zo belangrijk dat er meer aandacht voor komt. Mensen denken vaak dat we het nu al wel voor elkaar hebben en dat waterbeheer dus vrij saai is. Maar het is helemaal niet saai!”

De kranten zouden vol moeten staan over welke sluizen er worden gebouwd?

„Jazeker. Het denken over waterbeheer is helemaal veranderd. De dure plicht is nu: maatschappelijke inbedding. We moeten burgers veel meer betrekken bij het werk van een waterschap. We moeten de burger een plaats geven in de functionele democratie.”

Jullie hameren op het belang van waterschappen. Maar de rest van de wereld doet het toch ook zonder?

„Ik beweer niet dat het niet anders kan. Maar ik zeg: wees zuinig op wat zich eeuwenlang heeft bewezen. En laten we de burger serieus nemen. Hem volwaardig laten meedenken over de inrichting van zijn stedelijke en landelijke gebied. Het is veel veiliger om als dijkgraaf vanuit je dienstauto naar het volk te zwaaien, dan uit de auto te stappen, je laarzen aan te trekken en met een paar mensen de dijk op te gaan. Dat laatste moeten we doen. De burger is de persoon die ons werk mogelijk maakt. De dijkgraaf zit op een geleende stoel.”

Is de bestuursstijl van de waterschappen veranderd?

„Enorm. Van de jaren zestig tot aan de jaren negentig bestuurde een groepje vooraanstaanden het waterschap. Dat waren de voormannen van de adel of van de boeren. Later werden de macht van deze kleine groep opengebroken door mensen uit het volk. Dat werd versterkt toen ook de politieke partijen mee gingen doen. De waterschappen zijn, kortom, geëmancipeerd.

„De dijkgraaf was vroeger een heer van stand die op maandagmorgen langs kwam voor een bespreking en op vrijdagmiddag de stukken tekende. Dat is veranderd. Ik krijg weerwoord. Van goeie, betrouwbare, stabiele, op de toekomst gerichte bestuurders die zeggen: Alfred, kom op, man.

„Toen ik begin jaren negentig in Groningen dijkgraaf werd, zeiden ze tegen mij ‘dat ik zo goed kon lullen’. Maar ze zeiden ook tegen mij: ‘we kunnen niet tegen je lullen maar wel tegen je stemmen, en je kunt wel een mooie babbel hebben, maar je kunt niets zonder ons’. Dat was een goede les.”