Rotbroekrok met roomsoesremmers

ILLUSTRATIE OLIVIA ETTEMA

Hugo Brandt Corstius (1935-2014) was zonder twijfel een van de meest creatieve en productieve taalkundigen die Nederland ooit heeft gekend.

Hij was ook een pionier op het gebied van de computertaalkunde.

Het computerprogramma dat hij schreef om woorden automatisch af te breken, overtuigde hem ervan dat het huwelijk tussen computers en taal nooit zou kunnen werken, schrijft Liesbeth Koenen in de onlangs verschenen Taalgids voor Opperland. Reden: de betekenis kan altijd weer roet in het eten gooien. Koenen: „Want is een diplomaatje een diploma-tje of een diplomaat-je? Een kadetje een broodje, of een kleine kade? En carnavalshit? Is dat zooi of zang? Dat hangt er maar van af.”

Taalgids voor Opperland, een pocket van uitgeverij Rainbow, bevat een selectie uit twee bestsellers van Hugo Brandt Corstius: Opperlans! Taal- & letterkunde uit 2002 en het Opperlans woordenboek uit 2007. Met die boeken bouwde Brandt Corstius voort op Opperlandse Taal- en Letterkunde uit 1981, zijn grootste verkoopsucces.

Liesbeth Koenen werkt aan een biografie over Hugo Brandt Corstius (HBC), die zij goed heeft gekend. Ik zie uit naar het resultaat, want haar inleiding geeft een indruk van wat wij kunnen verwachten. Ze schrijft met veel genegenheid over hem, spreekt haar bewondering uit voor zijn onmiskenbare genialiteit, maar spaart hem zeker niet. Zo schrijft zij over zijn vermogen om anders dan wie ook naar de Nederlandse taal te kijken: „Het was een totale passie, een geniale gekte kun je gerust zeggen.” Om hier meteen aan toe te voegen: „Denk maar niet dat het hem beledigd zou hebben.”

Taalgids voor Opperland bevat „de prachtigste vondsten en onzinnigste zinnigheden” uit de bovengenoemde Opperlans-boeken. „Het Opperlans neemt ons mee in de diepste krochten van de kennis die we hebben van onze moedertaal”, aldus Koenen, en ik denk dat zij daarin gelijk heeft. HBC zag bijvoorbeeld dat hindoekrijger een anagram is van knorrigheidje – dat die woorden dus precies dezelfde letters bevatten.

Dat heeft verder geen enkele betekenis, maar je kunt er wel plezier om hebben. Zo had HBC er ook plezier in dat het woord rotbroekrok drie keer de lettercombinatie RO bevat en dat in roomsoesremmers iedere letter drie keer voorkomt.

Dat is inderdaad grappig, maar je kunt je ook afvragen wat roomsoesremmers zijn. Dingen of stofjes om roomsoezen te remmen? Laat ik het zo zeggen: in het dagelijks leven kom ik ze zelden tegen, zelfs niet bij de banketbakker.

HBC was niet alleen taalkundige, hij was ook wiskundige. Hij was een bezeten teller en zou onmiddellijk hebben vermeld dat deze bloemlezing 288 pagina’s telt, met daarin 109 stukjes met titels als ‘Drie keer!’, ‘Vierlingen’, ‘Vijflingen’, ‘676 gespiegelde woordparen’ en ‘Zevenenzeventig zeer zotte zinnen’.

Dat gepuzzel en getel, schrijft Koenen, is wat HBC het langst bleef doen, zelfs toen de woorden hem tegen het eind van zijn leven steeds meer ontglipten.

Na zijn dood bleek zijn werkkamer uit te puilen van „Opperlanse prullaria” in allerlei vormen en maten: ruitjesschriften, kaartenbakken, zelfgeknutselde kubussen vol woorden, en talloze schema’s, onder meer op grote rollen papier. Er kwam ook een dummy van een boek tevoorschijn, getiteld: Jaderlands.

Toch jammer dat dit nooit is verschenen.

    • Ewoud Sanders