Column

Na de ramp

Het kan lang duren voordat de echo van een ramp is uitgestorven. De direct betrokkenen bij de nasleep van de ramp met de MH17 in Oekraïne zullen dat nog vaak beseffen. Wat hun te wachten kan staan, werd dezer dagen in Engeland duidelijk.

Daar behandelde een rechtbank in Warrington de zogeheten Hillsboroughramp. Op 15 april 1989 vonden 96 Liverpoolfans de dood in het Hillsboroughstadion in Sheffield, waar Liverpool en Nottingham Forest een halve finale om de FA Cup speelden. De centrale figuur in dit drama is politiechef David Duckenfield, nu een man van 70 die zich voor de rechtbank moest verantwoorden.

Hij had die dag toestemming gegeven een bepaalde toegangspoort te openen om de druk op een aantal tourniquets te verlichten. Het gevolg was dat te veel mensen tegelijkertijd naar binnen konden stromen en er in twee vakken overbelasting ontstond. De supporters kwamen in de verdrukking en de grootste ramp in de geschiedenis van het Engelse voetbal was een feit.

In de jaren erna was er veel te doen over de schuldvraag. De politie, ook Duckenfield, trachtte aanvankelijk de schuld af te schuiven op dronken Liverpoolsupporters. Maar geleidelijk werd duidelijk dat de politie zelf in veel opzichten had gefaald.

De waarheid is niet alleen het eerste slachtoffer van de oorlog, maar ook vaak van de ramp. Dat bleek me toen ik de verslagen van de rechtszaak in Warrington in de Engelse pers doornam. Duckenfield moest vragen beantwoorden van de jury en van advocaten. Zijn antwoorden waren onthutsend en ontluisterend. Hij vertelde dat hij destijds veel te onervaren was geweest om zijn werk goed te kunnen doen. Hij kende de omstandigheden in het stadion onvoldoende en veronderstelde ten onrechte dat niet de politie, maar de clubstewards verantwoordelijk waren voor overbelasting.

Voor een volgepakte rechtszaal – vooral met familieleden van slachtoffers – moest Duckenfield spitsroeden lopen. Hij toonde zich tamelijk nederig. „Ik ben ouder, hopelijk wijzer – vermoedelijk was ik die dag niet de beste man voor die baan.” „Misschien had ik wat flexibeler moeten zijn.” „Onder die omstandigheden en met mijn beperkte bekwaamheid, aanvaard ik dat het een fout was, een fout die ik niet had mogen maken en die ik bitter betreur, maar ik was me toen niet bewust van de situatie, en dat was een ernstige fout en ik bied daarvoor mijn welgemeende excuses aan.”

Nederigheid was ook wel gepast, want hij had te lang volgehouden dat het aan de dronken Liverpoolfans lag. Getuigen herinnerden zich dat hij al die middag de leugen had verspreid dat de fans zelf de toegangspoort geopend hadden. Waarom had hij ook de jaren daarna gelogen en gezwegen, vroeg men hem. Het was het interessantste, want menselijkste deel van de zittingen.

Hij antwoordde dat hij een posttraumatische stoornis had opgelopen en de zaak had verdrongen. „Ik verborg mezelf en kon het woord Hillsborough niet meer verdragen.” Twee jaar geleden besloot hij, „met de hulp van dokters”, te praten. Een tv-programma over de ramp gaf de doorslag. Hij zag een filmpje met een moeder die haar dode kind streelde op de vieze vloer van de gymzaal die als mortuarium diende.

Hij wendde zich tot de families in de zaal en zei: „Het spijt me geweldig.” Velen huilden, iemand riep: „Ik wil jouw excuses niet”, sommigen verlieten de zaal.

26 jaar na dato.