Meestal heeft de ander wel gelijk

Schrijfster en regisseur Maria Goos reist haar toneelstukken achterna en herkent haar eigen leed in anderen: „Jij kijkt goed uit je ogen, jij bent ergens doorheen gegaan.”

Illustratie Enkeling

Het valt me wel een beetje van u tegen dat u een kwartier te laat bent.

„Sorry, maar ik moest even met de eigenaar van een witte herenracefiets praten. Die fiets stond voor mijn deur en niet op slot, maar op de mannenstang, weet je wat ik bedoel met mannenstang, wat je denkt dat ik bedoel, dat bedoel ik ook, enfin, aan die mannenstang was een houten bordje gemonteerd en daar stond op: ‘Als je een fiets nodig hebt, of iets anders, bel me dan. Ik zal mijn best doen om je te helpen.’ Bleek die fiets van een ontzettend aardige open jongen van een jaar of 22 te zijn. En waarom of hij dat deed. ‘Als iemand mijn fiets wil stelen, dan zal hij hem wel erg nodig hebben. Dan kan die persoon mij beter bellen en dan zoeken we samen naar een oplossing.’ Ik vroeg nog: ben je soms religieus, want ik had geen zin om via een lange omweg bij Jezus uit te komen, maar dat was niet zo. En daar ging de lange jongen op zijn dunne fietsje. Is het niet prachtig?”

Kunnen we het over uw werk hebben?

„Ja, mijn werk. Ik ben een samenwerking aangegaan met een 24-jarige producent, een half Nederlandse, half Italiaanse jongeheer, die op een manier produceert die ik nog niet eerder heb meegemaakt. We gaan er vol, maar dan ook vol in, met zijn tweeën. We zijn in Napels geweest bij zijn familie, we hebben daar gesproken met Angelo Curtie, een fantastische producent die ons gaat helpen met de Italiaanse casting. We hebben in Livorno in een hotelkamer een week lang als bezetenen zitten verzinnen. Ontbijten, naar de kamer, hij op bed liggen, ik met mijn schrift aan een tafeltje naast het bed en rang! Knallen! Alsof er een kraan opengedraaid werd die een week bleef stromen. Na die week hadden we eigenlijk

tien afleveringen in de grondverf. Het is een wonderlijke en onverwachte en heerlijke samenwerking.”

U heeft de naam van een moeilijke mevrouw te zijn om mee te werken.

„Ja en dat is echt helemaal waar. Ik ben vrij gemakkelijk in het veranderen of weggooien van mijn teksten. Ik hoor meteen of een opmerking over mijn werk zinvol is of niet. Daar is nooit discussie over. Echt nooit. Binnen tien seconden beslis ik: hij of zij heeft gelijk, het moet anders, of eruit, of ik kan heel helder uitleggen waarom de ander geen gelijk heeft. Maar meestal heeft de ander wel gelijk. Maar als iemand zijn werk uit luiheid of desinteresse of arrogantie of door gebrek aan talent of kennis van zaken niet goed doet en dan commentaar gaat leveren.... ja... dan zijn de rapen gaar ja. Ik word ook razend als beleidsmakers op de stoel van een kunstenaar gaan zitten.”

Noemt u zichzelf een kunstenaar?

„Ja, zo noem ik me sinds kort. Omdat ik het ben. Omdat ik het wil zijn. Omdat ik tot de gilde wil behoren van diegenen die zich onderscheiden van het commerciële circuit. ‘Kunstenaar’ of ‘artiest’ werd decennia lang door onszelf binnen de dramatische kunst alleen maar heel besmuikt uitgesproken. ‘Kaanstenaajr’ en ‘arrrtisthh.’ Het commerciële circuit deinst er niet voor terug om elke ‘one trick pony’ heel serieus te presenteren als ‘Ster.’ Ik ben geen ster en dat wil ik niet zijn. Ik ben een kunstenaar.”

Maar die serie die u met Lucio Messercola ontwikkelt, ‘La Famiglia’, die is voor een groot publiek bedoeld.

„Ja dat is de uitdaging. Een Nederland 1-serie maken met behoud van kwaliteit. Spannend.”

Schaamt u zich ergens voor?

„Ik schaam me soms als mijn haar stom zit. Of als je bij bepaald licht ziet hoe scheef mijn neus is. Ik schaamde me ook een tijdje omdat ik een verlaten vrouw was geworden, maar nu voel ik mij innig verbonden met al die mannen en vrouwen die dit hebben meegemaakt en die er sterk uit zijn gekomen. Ik denk het aan mensen te kunnen zien; jij kijkt goed uit je ogen, jij bent ergens doorheen gegaan. Jij kunt het goed vinden met jezelf. Jij bent gelukkig met je eigen leven. Er zit iets in die ogen; rust, openheid, nieuwsgierigheid, ik weet het niet, iets dat iemand zichzelf helemaal geaccepteerd heeft en voor geluk niet meer afhankelijk is van wat men liefde noemt. Dat is iets prachtigs.”

Heeft u zichzelf helemaal geaccepteerd?

„Nou, als je betrouwbaar blijkt voor jezelf, dan is dat eigenlijk liefde. Ik kan op mezelf bouwen. Dat is een heel fijn gevoel.”

Twijfelt u nooit?

„Waaraan?”

Nou laat maar. Andere vraag: wat vindt u van de wereld op het moment

„Er is zo veel wijsheid, er is zo veel kennis, er is zo veel inzicht, maar er is ook zoveel bagger waar we de hele dag maar mee geconfronteerd worden in de vorm van reclames en een overdaad aan oninteressante, slechte, ongenuanceerde berichtgeving, dat het heel moeilijk is voor het andere geluid om gehoord te worden.”

Wat is het andere geluid?

„De voorstelling Oumi, samen met dansers, rappers, Najib Amhali en de documentaire Mijn vader, de Expat als avondvullend programma in Carré. Oumi is een solo van Nasrdin Dchar, door mij geschreven, over zijn moeder... binnen 24 uur totaal uitverkocht in Carré! Zonder dat er één poster in de stad heeft gehangen. Die gasten nemen het heft in eigen hand. Die hebben hun eigen marketingmachine en dat werkt! Er komt zo veel emotie los bij ouderen die zichzelf herkennen in het verhaal van mensen die van het ene land naar het andere verhuizen, hun cultuur meenemen, maar hun identiteit kwijt zijn met alle gevolgen van dien. Wie ben je zonder sociale, culturele context? Zonder familiaire banden, zonder geschiedenis? Helemaal niemand. We zijn iemand doordat we ons verhouden tot de ander. Nou ja... ik moet ophouden zeg.”

Waar staat u nu in het leven?

„Ik ben net terug uit Cuba. Ik was daar op uitnodiging van de Nederlandse ambassade om naar de Cubaanse voorstelling van Cloaca te kijken. De ambassade had het stuk onder de aandacht gebracht van een hele bekende Cubaanse regisseur, Carlos Cremata. De regisseur had van te voren gezegd: „I have made a very very Cuban adaptation of your play.” Dat was niets te veel gezegd. Het stuk begon met een stand-up comedian, en daarna kwam de homoseksuele Pieter op, in de oerversie zo briljant gespeeld door Pierre Bokma. In Cuba droeg Pieter een roze peignoir met veren, had hij zilveren nepwimpers opgeplakt en lag hij bellenblazend op de bank. En dat was nog maar het begin. Na afloop zei de regisseur: „Maria, I’ve used your play as a key to some political items.” Tja... als het dan werkelijk zo is dat het stuk, dat een groot succes was, heeft bijgedragen aan de emancipatie van de homoseksuele medemens in Cuba... dan vind ik het best. Over een paar weken ga ik in Barcelona kijken naar de Catalaanse Cloaca. Ze spelen het daar met een rockband. Het is wachten op de versie waarin de rollen door vier vrouwen worden gespeeld. Het is een levendig kind dat al tien jaar over de wereld reist en blijft verbazen.”