Gekke fantasy? Cult? Het bleek toch niet zo héél gek

De schepper van Discworld is overleden, maar het fenomeen zal hem overleven. Alleen bij de liefhebbers van fantasy? Nee, dat valt mee. Hoe zelfs een fantasyhater uiteindelijk viel voor de boeken van Terry Pratchett.

Discworld: een platte schijf op de ruggen van vier olifanten die op een schildpad staan. Illustratie Josh Kirby

Ook als je De Dood bent, wil je soms eens wat anders. Voortdurend mensen die net zijn overleden naar het schimmenrijk begeleiden: je verveelt je dood.

Althans, dat is de mening van ‘Death’, hoofdpersoon in het boek Mort van Terry Pratchett. Hij wil weleens weten hoe het eigenlijk is om te leven: dronken worden, lekker uit eten gaan. En dus besluit hij zijn zeis aan de wilgen te hangen en op zoek te gaan naar een stagiair die hem kan vervangen terwijl hij zelf op wereldreis gaat. Een en ander loopt flink uit de hand, en uiteindelijk ziet Death in dat hij zijn taak niet kan verzaken.

Sinds donderdag zal het in ieder geval iets minder saai zijn in het dodenrijk: op die dag overleed Sir Terry Pratchett, op 66-jarige leeftijd. Hij was niet alleen de geestelijk vader van Death, maar ook van heks Granny Weatherwax, dwerg Carrot Ironfoundersson en talloze andere personages die ‘Discworld’ bewoonden – de door Pratchett bedachte, schijfvormige wereld die rust op de ruggen van vier grote olifanten en een gigantische schildpad, en waarover hij ruim veertig boeken schreef.

Geen geneuzel over elfjes, graag

Fantasy, dus. Althans, dat heb ik jarenlang gedacht – en dus meed ik de boeken als de pest. Want al heb ik The Lord of the Rings vroeger verslonden, verder moest ik weinig hebben van literaire schijnwerelden. Dat geneuzel over elfjes en trollen, die eeuwige strijd tussen Goed en Kwaad: het was me allemaal veel te gekunsteld. Te zwart-wit, bovendien – hoofdpersonen hadden nooit eens een lekker verknipt karakter, nooit last van een ochtendhumeur.

„Lees nou”, zeiden mijn mannelijke vrienden (type: bierdrinkend, langharig tuig), als ik voor hun kast met beduimelde Discworld-exemplaren stond. Maar ik hield dapper stand. Tot ik een paar jaar geleden verliefd werd op een knappe Noor. Hij studeerde geologie, net als ik, en op een avond begon hij, met een fles wodka in de hand, net toen het romantisch werd, over Terry Pratchett.

Weg lustgevoel.

Maar terwijl de Noor uitgebreid vertelde over de verbanden tussen trollen, dwergen en geologie, en ik hem in zijn mooie blauwe ogen keek, hoorde ik mezelf zeggen: „Ja, Discworld is echt fantastisch.”

Maar toen ik eenmaal gevallen was...

De volgende ochtend holde ik in een razend tempo naar de boekhandel en kocht The Colour of Magic, deel 1 uit de reeks. Zo zou ik mijn onwetendheid over het onderwerp tenminste een beetje kunnen verbloemen. ’s Middags verscheen ik wéér hijgend aan de toonbank, om deel 2 te kopen: The light fantastic. ’s Avonds belde de leuke Noor op. Of ik zin had om af te spreken. ‘Sorry’, zei ik – mijn telefoon in de ene hand, mijn boek in de andere. ‘Ik heb al plannen.’

Ik was verslaafd. In de daaropvolgende maanden en jaren kocht ik nog pakweg twintig Discworld-boeken. Want Pratchetts wereld bleek helemaal geen doorsnee fantasy. Er wordt gevloekt, gezopen, gevochten – ook door de hoofdpersonen. Ankh-Morpork (een stadstaat in Discworld) is geen idyllisch elfenrijk, maar een grauwe, gore, corrupte plek.

Het gepreek over Goed en Kwaad, het zwart-witdenken dat ik zo vreesde, bleek afwezig in Pratchetts boeken. Zijn stijl kenmerkt zich niet door moralisme, maar door originele invallen, scherpe dialogen en woordgrappen. In zijn boeken zijn talloze verwijzingen naar wetenschap en religie verwerkt, maar nooit op belerende toon, altijd met een knipoog.

Dat Discworld bijvoorbeeld op vier olifanten door de ruimte zweeft, doet sterk denken aan de Hindoestaanse scheppingstheorie. Daarin rust de aarde op zes olifanten, die op hun beurt op een enorme schildpad staan – en onder die schildpad ligt een gigantische opgerolde slang. Naast zijn ‘gewone’ boeken heeft Pratchett met collega-schrijvers (onder wie de Britse wetenschapsjournalist Ian Stewart) zelfs een serie over ‘The Science of Discworld’ geschreven.

Pratchett in de kast is goed nieuws

De Discworld-boeken laten zich lezen als avonturenverhalen – de stadwacht van Ankh-Morpork trekt ten strijde tegen indringers; een mislukte tovenaar wordt op de hielen gezeten door zijn vijanden – maar zijn tegelijkertijd parodieën op het fantasygenre en bevatten soms zelfs maatschappijkritiek. De Dood, bijvoorbeeld, verwondert zich regelmatig over de rare trekjes van aardbewoners.

Voor fans wereldwijd heeft Discworld een cultstatus. Eens in de twee jaar wordt een Discworld Convention gehouden in Groot-Brittannië (waar Pratchett altijd trouw aanwezig was als eregast), er zijn Discworld-T-shirts, -postzegels, -discussiefora.

Als ik bij iemand thuis ben, kijk ik altijd even of hij - of zij, al ken ik vooral mannelijke Pratchett-liefhebbers - Discworld in de boekenkast heeft staan. De naam ‘Pratchett’ is voor mij een keurmerk geworden. Houdt iemand van zijn boeken, dan ben ik er vrij zeker van dat we het goed met elkaar kunnen vinden. Dat we hetzelfde gevoel voor humor hebben.

Eigenlijk baal ik best dat ik nooit naar een Discworld Convention ben geweest. Nooit zal ik Sir Terry himself ontmoeten, nu hij de knokige hand van De Dood heeft geschud. Laten we hopen dat ze samen nog eens op reis gaan in onze wereld.