De klusjesman integreert zich suf

Het nieuwe boek van Annelies Verbeke gaat over een klusjesman met het vermogen om zijn klanten verhalen te laten vertellen. Hij doet er alles aan om als migrant aansluiting te vinden. Maar waarom lukt hem dat toch steeds niet?

foto peter hilz

Op het omslag van Dertig dagen, de nieuwe roman van de Vlaamse Annelies Verbeke (1976), staat een blurb met een ongewone boodschap, van schrijver David van Reybrouck: ‘Dit boek is een dialoog met onze grillige, taaie tijd. Lees het traag. Leg het weg. Lees het weer.’

Grillig, taai, traag – menig moderne uitgever zou dat een doodschrik bezorgen. Intussen is Van Reybrouck niet alleen om zijn faam gevraagd, achterin het boek wordt hij bedankt voor zijn hulp als meelezer. En belangrijker: hij heeft gelijk.

De opzet van Dertig dagen is eenvoudig: de veertiger Alphonse Badji is een klusjesman annex huisschilder met een wonderbaarlijk vermogen om zijn klanten verhalen te laten vertellen. Hij hoeft ze maar aan te kijken of ze lopen leeg: over burenruzies, overspel, zakelijk ongemak, spookverschijningen, erotiek, vlinders en veel meer. Het ene relaas is opmerkelijker dan het andere en in de loop van het boek vloeien heel wat van die verhalen samen. Een minder ambitieuze schrijver had zich met zo’n mozaïek tevreden gesteld, maar Verbeke duikt ook diep in de constitutie van haar hoofdpersoon en in de Vlaamse Westhoek.

Een geboren Senegalees die aarzelt

Alphonse is een geboren Senegalees, maar in Vlaanderen opgegroeid en gevallen voor Kat, vrucht van een belabberd huwelijk in gegoede kringen. Lang is hij een ambitieuze, grootstedelijke muzikant geweest, maar enkele jaren geleden is hij met Kat naar de Vlaams-Franse grensstreek verhuisd.

De relatie is een knap beschreven mengeling van echte liefde, seksuele aantrekkingskracht, met daaronder een vorm van onrust, die ook te maken heeft met beider afkomst en, in het geval van Alphonse, een trotse moeder. ‘Hij kon dit niet voor zijn moeder doen, prentte hij zichzelf in, deed het dan aarzelend voor zichzelf.’

Het is niet alleen een mooie zin, in de genoemde aarzeling schuilt ook de kern van de roman. Alphonse blijft een aarzelaar. Als Kat hem een onbegrijpelijke leugen voorschotelt, snijdt de twijfel over hun relatie diep in zijn ziel. En hoe zit het eigenlijk met dat vermogen om mensen verhalen te laten vertellen? Verliest hij zichzelf niet in al die menslievendheid?

Daarbij komt dat op het aanhoren van alle problemen vanzelf het helpen van de ongelukkigen volgt. Alle aandacht die Alphonse schenkt aan de ongelukkigen wekt de jaloezie van Kat, waarbij het niet helpt dat zij een overduidelijk op Alphonse geïnspireerd erotisch verhaal over een diëtiste en een stukadoor onder ogen krijgt.

Alphonse heeft een diep verlangen zich bij de wereld aan te sluiten: daarom is hij zo geliefd. Het uit zich ook in een verlangen om alles te weten. En andersom: de schaarse keren dat hij onheus wordt bejegend, vraagt hij zich af of dat gewoon komt omdat de ander een hufter is, of dat het toch met zijn huidskleur te maken heeft. Hij gedraagt zich als een halve heilige, tussen een gewone goeroe en Jezus in, maar blijft zich afvragen: hoor ik er wel bij?

De psyche van de migrant

Het knappe van Dertig dagen is dat het boek in de psyche van de migrant graaft, maar zonder diens desoriëntatie particulier te maken. Want ook Alphonses autochtone klanten missen een anker.

Het gevoel van desoriëntatie wordt versterkt door het verlaten landschap. Er lopen lange littekens van de Eerste Wereldoorlog door de grensstreek en ook de actualiteit laat er zijn sporen na. In een greppel houden zich vluchtelingen schuil, die zich via het nabije Calais naar Engeland willen laten smokkelen. De associatie met de loopgraaf ligt (erg) voor de hand. Alphonse, uiteraard, rijdt af en aan met boodschappen. Er wordt toch al veel rondgereden; zo doorkruist een schrijfster het gebied vrijwel onophoudelijk met de auto. Zij heeft wel wat weg van Verbeke en krijgt een opmerkelijke rol aan het mooie slot van de roman, waardoor je die in retrospectief kunt lezen als een lange poging om een wereld te scheppen die mooier is dan de echte. En waarom dat mislukt.

Alles doen voor aansluiting

Ergens staat iets wat voor de hele roman geldt: ‘Dit is wat Alphonse zo aan deze streek bevalt: omdat er zo weinig gebeurt, krijgt wat er wel gebeurt een wonderlijk aura, het eist een scherpe aandacht op.’ Het gevoel van desoriëntatie dat de hoofdpersonen plaagt, krijgt vanzelf ook vat op de lezer: steeds vaker vraag je je af of we nu in Frankrijk zijn of in België. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat het Verbeke precies om dat gevoel te doen is geweest: dit is een wereld waar geen gps tegenop kan.

Zo is Dertig dagen een roman geworden die wat vraagt van de lezer, maar daar veel voor teruggeeft: een roman over een man die er alles aan doet om aansluiting te vinden bij zijn omgeving, om te integreren, maar die daar niet in slaagt. Niet omdat de omgeving nu zo vijandig is, niet omdat hij niet wil, maar omdat hij het ergens niet kan geloven.

Op een van zijn autotochten treft Alphonse een oorlogsgraf aan van een man die zijn achternaam draagt. Dat kan, want er hebben Senegalezen gestreden in dit gebied. Eigenlijk zou die ontdekking een keerpunt moeten zijn, de symbolische bevestiging van het feit dat ook Alphonse hier wortels heeft, of zou kunnen hebben. Maar er gebeurt niets. Hij blijft dwalen: deze ontheemding is ongeneeslijk.