‘Angels in America’ is vier uur groots drama

Regisseur Marcus Azzini neemt toeschouwers van ‘Angels in America’ mee op duistere odyssee langs dood, schuld en angst

Scène uit ‘Angels in America’ van Toneelgroep OostpoolFoto Sanne Peper

Engel heet ze, een wit en ijl personage. Ze beweegt zich ongrijpbaar, haast zwevend door de lucht met haar blote voeten en in smetteloze jurk. En er is een jongeman die kruipt en bijt in donkere aarde, schreeuwend van de pijn, lijdend aan een dodelijk ziekte. Aids. Met deze krachtige tegenstelling, in telkens andere variaties, stuwt regisseur Marcus Azzini bij Toneelgroep Oostpool het epische drama Angels in America (1992) van Tony Kushner op. Vier uur theater, dat die uren nodig heeft. Dat maakt het drama groots en dwingend.

Angels in America speelt zich af in de era van Ronald Reagan, de jaren tachtig. Aids is eerst een geheimzinnige aandoening, waaraan duizenden sterven. Als blijkt dat homoseksuele mannen het virus overdragen, breekt er paranoia los in het behoudende republikeinse land, waarin hypocrisie en racisme opgeld doen.

Kort na het begin laat Prior Walter (Roy Baltus) zijn blote onderarmen zien, bedekt met vlekken. De jongeman is gekust door de ‘engel des doods’. Met deze huiveringwekkende onthulling krijgt de voorstelling een onafwendbaar perspectief. Het woord ‘homoseksualiteit’ ritselt als een onheilstijding rond. Synoniem van dood.

Aanjager van Angels is de extreem rechtse, joodse advocaat Roy Cohn, geïnspireerd op een werkelijk bestaand persoon. Jacob Derwig geeft Cohn een ongekende woede mee, gericht op de zwakke plekken in de maatschappij. Derwig bedient zich van een telefoon om zijn machtswellust uit te buiten. Ondanks zijn haat weet hij sympathie te wekken. Zijn wapenfeit is de elektrische stoel voor communiste Ethel Rosenberg.

Maar ook Cohn ontsnapt niet aan het aidsvirus. Rondom deze Cohn cirkelen tal van personages. De gehuwde Joseph Pitt (Teun Luijkx) raakt verliefd op Louis Ironson (Vincent van der Valk). Maria Kraakman als echtgenote dempt haar pijn met valium. Als een geestverschijning doolt zij rond, dromend over Antarctica en kinderen, hallucinerend op zo’n lucide wijze, dat de ontroering groot is.

Azzini heeft de drie vrouwenrollen, naast Kraakman en Kirsten Mulder als Engel ook Bianca van der Schoot, uitzonderlijk goed gecast in deze rigide mannenwereld. Van der Schoot speelt vele dubbelrollen, waarvan die als de gestrafte Ethel Rosenberg de mooiste is. Als blijkt dat haar aartsvijand Cohn sterft aan aids, keert ze terug uit het dodenrijk om een verzoenend Hebreeuws rouwlied voor hem te zingen, vrij van wrok. Een zwarte verpleger (Rick Paul van Mulligen) toont zoveel toewijding, dat je weer gelooft in het goede en niet alleen in het kwaad.

Azzini zet hoog en vooral persoonlijk in. Hij neemt de toeschouwers mee op een duistere odyssee langs dood, schuld en angst voor de dood, langs ontworteling en politieke misstanden. Bitterzwart is de voorstelling niet. Aan het slot gloort er hoop als de spelers op de rand van het podium plaatsnemen, met achter hun rug het slagveld van losgewoelde aarde. In hun laatste woorden spreken ze over de hemel, die Engel met haar verschijning al zo dichtbij bracht.