Column

Mijn hybride ik

Ik heb altijd beweerd dat ik mijn kofferwielen nooit zou verslijten voor een man. Maar hier ben ik, pendelend tussen Amsterdam en Antwerpen. Zoals gewoonlijk herhaalt de geschiedenis zich. Mijn moeder verliet als jonge Surinaamse vrouw huis en haard voor mijn Ghanese vader, die kapitein was. Een toevallige ontmoeting in de Rotterdamse haven. Op een feestje, op zijn schip, de Black Star Line. Liefde op het eerste gezicht. Het schijnt dat hij zijn uniform niet eens aan had (tenminste, dat beweert ze). Op zee leken de wittebroodsweken eindeloos. Ze kwamen aan in Venetië, Liverpool, Nagoya in Japan, en belandden uiteindelijk in Tema in Ghana. Niet slecht, zo’n toeval.

Inmiddels noem ik Antwerpen mijn thuis, maar ik verdwaal er nog altijd. Laatst weer. Zo ingewikkeld had het niet hoeven zijn. Mijn bestemming, de Paleisstraat, zou op zijn minst in een koninklijke zijstraat moeten liggen. Maar helaas, het gemak van die navigerende logica werkt hier anders dan in Amsterdam. Afzien dus.

Vreemd, een nieuwe stad heeft geen comfortzone. Een geografische verschuiving van amper tweeënhalve treinuren heeft mijn wereld verkleind tot de 55 centimeter van mijn bagagekoffer. Een kosmopoliet dubbelgevouwen in een Samsonite.

Mijn Vlaamse manlief Herman en zijn stadsgenoten zien mij als ‘Hollandse’. Hoe frappant. Mijn hybride ik als Ghanees-Surinaamse Nederlandse verdampt zodra ze mijn Hollandse accent horen.

Verwarrend om veel meer te zijn dan er wordt gezien. Maar ik raak er behendig in. Opboksen tegen je onderbewuste is een verloren strijd. Helemaal als er toeschouwers bij zijn. En het heeft ook wel wat, om af en toe te verdwalen in de zijstraten. Je ziet net iets meer.

Herman vindt mijn gedwaal onbegrijpelijk. „Maak het jezelf niet zo moeilijk”, zegt hij vaak. Uit de supermarkt neemt hij steevast een potje pindakaas voor me mee. Nee niet Carrefour, maar Calvé, Calvéeeee. Erg lief.

Zijn moeder, een statige Congolese, lijkt me wel te verstaan. Ze is al twintig jaar activiste en boegbeeld van Afrikaanse vrouwen in Antwerpen. In vloeiend Frans vertelt ze haar verhalen. Ik versta geen Frans, en zou dit echt een keer duidelijk aan haar moeten uitleggen, maar voor nu hindert het niet. Haar stem biedt comfort.

Terug in Amsterdam vraagt Kiza, een bevriende publicist, of ik een lezing wil houden over hybride identiteit. „De zaal is al vol!”, bericht hij de volgende dag enthousiast. „Maar Kiza, wie zijn al die mensen, en wat moet ik vertellen?”

„Vertel gewoon over jezelf”, zegt hij sussend. Begin maar eens met uitleggen, denk ik.

Ik mis Antwerpen nu al.