Waakhond

Echt verrassend aan het Kamerdebat na het aftreden van Ivo Opstelten en Fred Teeven afgelopen dinsdag was niet dat minister-president Mark Rutte zich verbaal het vege lijf redde, maar dat hij zich op een moment vergaloppeerde.

Luister even terug: D66-leider Pechtold meldde tijdens het debat dat de man van vijf miljoen, Cees H., die avond in Nieuwsuur zou verklaren dat van hem de details van de Teeven-deal openbaar gemaakt mochten worden – dus waarom nu niet gewoon openheid van zaken?

Rutte deed verbaasd. Volgens hem ging het om „een berichtje in de media”. En: „Op basis van zo’n berichtje gaan wij niet dingen openbaar maken.”

Pechtold: „Door een berichtje in de media bent u afgelopen week twee bewindslieden kwijtgeraakt.”

Touché, inderdaad. Het legde en passant iets akeligs bloot – een smalend dedain voor de journalistiek. Twee keer was de partij van Rutte door onthullingen in de media in zijn hemd gezet. De eerste keer in deze krant over de zaak-Verheijen, de tweede keer door Nieuwsuur, dat beschikte over de afrekening die bij het ministerie van Veiligheid en Justitie zogenaamd onvindbaar was. Telkens was de reactie het denigreren van de boodschapper. Opgeblazen, tendentieus, een berichtje in de media; keer op keer kreeg Rutte dat wegwuivende toontje als een boemerang terug in zijn gezicht.

Binnen een maand een Kamerlid en twee bewindslieden af door de zijdeur, hun afgang juist grotendeels veroorzaakt door al te doorzichtig blufpoker van hun politiek leider. Hoe behendig ben je dan?

Daags na de onthulling in Nieuwsuur meldde het ministerie van Opstelten nog unverfroren dat het programma helemaal fout zat. Maandag werd VVD-senator Swagerman ingezet, die als waarnemend officier van justitie zijn handtekening onder de omstreden deal had gezet. Hij sprak van „schaamteloze politieke spelletjes”. De hoogte van het bedrag was „helemaal niet relevant”. Nog diezelfde avond traden Opstelten en Teeven af. Au.

Hier en daar heerst nog de gedachte dat politiek en journalistiek het samen veel te gezellig hebben. Politici zijn nu eenmaal niet geneigd de journalistiek te zien als waakhond van de democratie. In hun mindset is journalistiek gewoon een voortzetting van de politiek met andere middelen. En vaak genoeg laten de media zich graag bespelen. Aangetrokken door de blingbling van de macht, verleid door het verlangen een speler te zijn. De columnist van de Volkskrant die naast zijn column ook speeches bleek te schrijven voor een politicus en vervolgens door hem als wethouder geparachuteerd werd; ik heb er met verbazing naar gekeken. Een ex-politicus vertelde mij eens hoe partijen een flink eisenpakket op tafel leggen wanneer een van hun kopstukken aanschuift op televisie – als hij komt, dan niet met die en die, die ook de komende weken niet mag worden uitgenodigd. Vooral de PvdA schijnt er goed in te zijn.

Vaak ook is geschreven over hoe behoedzaam parlementair journalisten aan het Binnenhof moeten opereren: ze hebben goede contacten te onderhouden om nieuws te krijgen, maar zonder dat ze gebruikt worden. Je kunt er gemakkelijk cynisch over doen. Joris Luyendijk, deze week in een interview voor TPO Magazine: „Als ik een Haagse journalist met een document voor de camera zie wapperen en roepen ‘exclusief, exclusief’ denk ik: met wat heb jij geruild?”

Dat is niet het beeld van de afgelopen tijd. Onthullingen in deze krant over de Zorgautoriteit, over Mark Verheijen, over het nepotisme van PVV-lijstrekker Faber, het subsidiegesjoemel in de anti-radicaliseringsindustrie, de harde scoop van Nieuwsuur met het bonnetje in de Teeven-deal; stuk voor stuk voorbeelden van journalistiek met haar op de tanden. Steeds opnieuw reageert de politiek eerst wegwuivend, en haalt vervolgens bakzeil.

In De Telegraaf klaagt politiek redacteur Paul Jansen deze week de cultuur van wegmoffelen op de ministeries aan: „Geheimzinnigheid van een overheid hoort een legitiem doel te dienen, zoals onze nationale veiligheid. Nu wordt mist gecreëerd om het eigen handelen, c.q. falen te verhullen. Dat moet stoppen.”

Zo kent de politiek de journalistiek niet. De reflex op links is nog steeds om alle kritische bevraging af te doen als populisme, en op rechts als vluchtige hype. Lukt dat niet, dan is er die nieuwe bestuurlijke dooddoener: men zegt „zich niet in de kritiek te herkennen”. Hoor je dat, dan weet je zeker dat het mis is.

Het is afgelopen met de gezelligheid.