Zelfs George Miller kon geen 7 ideeën onthouden

‘Mijn probleem is dat ik achtervolgd word door een geheel getal. Dit getal volgt mij nu al zeven jaar overal [...]. Of er is echt iets uitzonderlijks aan het getal, of ik lijd aan achtervolgingswanen.’

Zo begon de in 2012 overleden psycholoog George Miller bijna zestig jaar geleden zijn beroemd geworden artikel over de grootte van het werk- of kortetermijngeheugen, ‘The magical number seven, plus or minus two: some limits on our capacity for processing information’ (Psychological Review, maart 1956). Daarin beargumenteerde hij onder meer dat mensen ruwweg zeven items, zoals willekeurig gekozen woorden, in volgorde kunnen onthouden. Het artikel is duizenden keren geciteerd.

Maar, schrijft Nelson Cowan van de Universiteit van Missouri in Psychological Review (9 maart online), het inspireerde opvallend weinig vervolgonderzoek. En dat komt deels, denkt hij, door Millers humoristische toon. Onderzoekers willen niet het risico lopen dat ze zichzelf belachelijk maken. Dat zou hun carrière of kansen op onderzoeksgeld kunnen schaden.

Daarnaast is de capaciteit van het kortetermijngeheugen moeilijk te onderzoeken. Eigenlijk is de belangrijkste boodschap van Millers artikel niet dat ‘het magische getal zeven’ zo centraal staat in ons werkgeheugen, maar dat mensen geen bits onthouden, zoals computers, maar betekenisvolle chunks. De letterreeks FBICIAUSA is makkelijk te onthouden zodra je ziet dat hij uit FBI, CIA en USA is opgebouwd.

Cowan denkt dat er maar een stuk of vier van die chunks tegelijk in ons werkgeheugen passen, schreef hij in 2001 al in Behavioral and Brain Sciences. Hij mailde er met Miller over, die hem opgewekt gelijk gaf (Cowan citeert uit die mails in zijn nieuwe artikel). Trouwens, als het aan Miller lag, had het artikel uit 1956 misschien wel nooit bestaan. Het is een bewerking van een lezing die hij in 1955 voor de Eastern Psychological Association had gegeven. Miller sloeg de uitnodiging eerst af, maar de EPA hield aan.