Twee zielen in iedereen

Elsbeth Etty grasduint door de stapel nieuw binnengekomen boeken en geeft haar eerste indruk.

Het thema van de Boekenweek schreeuwde erom: een nieuwe uitgave van R.L. Stevensons meesterwerk De zonderlinge geschiedenis van Dr. Jekyll en Mr. Hyde [1], waarvan het aantal vertalingen, bewerkingen, verfilmingen en parodieën niet meer is te tellen. Deze vertaling is niet de meest recente: Foppema overleed in 1993, terwijl in 1999 en 2005 nog andere vertalingen verschenen. De bekendste, door Simon Vestdijk, is uit 1945. Hoe dan ook, Stevensons verhaal uit 1886 over de gespleten persoonlijkheid is ongetwijfeld een icoon van de cultuurgeschiedenis van de moderne tijd. In het ongesigneerde nawoord worden vele literaire grootheden aangehaald die de lof van Jekyll en Hyde hebben gezongen. Nabokov wees erop ‘dat het niet ging om twee zielen in één persoon, maar om één persoon met twee zielen, waarvan de ene (Hyde) weliswaar puur slecht was, maar de ander (Jekyll) niet puur goed, doch een amalgaam van goed en kwaad’. Wat zelden wordt opgemerkt, is dat dit laatste ook geldt voor de kleurloze verteller notaris Utterson. Is niet iedereen notaris Utterson? Vermeldenswaard is nog dat in deze uitgave voor het eerst in Nederland de originele illustraties van C.R. Macauley zijn opgenomen.

Illustraties sieren ook Drie vroege verhalen [2] door J.D. Salinger (1919-2010), maar in dit geval zijn de tekeningen zeventig jaar later toegevoegd met een speciale bedoeling: het omzeilen van het auteursrecht. Het was vorig jaar groot nieuws in de literaire wereld dat een paar handige jongens hadden ontdekt dat Salinger was vergeten het copyright op drie korte verhalen uit 1940 en 1944 te registreren. Door er tekeningen bij te laten maken kon de Amerikaanse uitgever Devault-Graves de rechten op publicatie verwerven en zo de strenge bepalingen ontduiken die de onbenaderbare auteur had uitgevaardigd over wat er na zijn dood met zijn werk mocht gebeuren. Als Salinger geen eeuwige roem had verworven met zijn adolescentenroman The Catcher in the Rye uit 1951 had er niemand naar dit jeugdwerk omgekeken. Toch is het de moeite waard voor alle adepten van Holden Caulfield, de beroemdste puber in de wereldliteratuur. Volgens het nawoord door Auke Hulst wijzen de verhalen die Salinger als jonge man schreef, vóór hij de verschrikkingen van de oorlog beleefde, vooruit naar zijn latere werk. Dat geldt met name voor het laatste van de drie ‘Aan één keer in de week ga je niet dood’.

Nogmaals illustraties, maar dit keer zijn de tekeningen de hoofdzaak: schitterende portretten van katten in hun talloze hoedanigheden tekende Paul van der Steen en elk van deze tekeningen, geïnspireerd op bekende schrijvers of boeken, voegt iets wezenlijks toe aan de literaire kattenverhalen, verzameld in Negenenhalf leven [3]. Eerder verscheen in beperkte oplage als bibliofiele uitgave de bundel Katten van Nop Maas en Van der Steen, en het is terecht dat de indringende waarnemingen van het verschijnsel kat door een hele rits schrijvers nu voor een breder publiek beschikbaar is. Het verhaal ‘Incl. btw’ door Gerard van Emmerik, in de bibliofiele uitgave nog ‘De dood van Billie’ getiteld, bewoog Frits Abrahams in deze krant al eens tot een ontroerende column. Het voert te ver hier de auteurs van de korte kattenverhalen (en enkele kattengedichten) op te sommen. Misplaatst is de bijdrage van een anonieme schrijver met het pseudoniem ‘An English Dog’ die lucht geeft aan zijn haat jegens een religieuze kat (‘Kerkkat’). Kattenhaat hoort niet in deze bundel thuis.

Als tweede deel in de reeks ‘Book of The Month’ heeft uitgeverij Lebowski De buurt [4]van Ab Visser uit 1953 herdrukt. De verhalen spelen zich af in de jaren twintig van de vorige eeuw en worden verteld door de 12-jarige Jo Rutgers, een Groningse Kees de jongen. In haar ‘Woord vooraf’ vraagt Vissers weduwe Margreet Hirs zich af of het wel literatuur was wat haar man schreef. Ab Visser (1913-1982) schijnt dat geen relevante vraag te hebben gevonden, hem ging het louter om het mooie verhaal. En verhalen vertellen kón deze veelschrijver. Toch haalt De buurt het niet bij Theo Thijssens Kees de jongen. Een zwakte in Vissers semiautobiografische verhalen is de milieuschets van het gezin Rutgers. De vader van de schrijver was brugwachter, in het boek is hij een sullige politieagent die in een achterbuurt burenruzies beslecht. Volstrekt ongeloofwaardig, maar wel in lijn met Vissers latere literaire ontwikkeling: hij werd de grondlegger van de Nederlandse misdaadliteratuur.