Toen was die deal tussen Teeven en H. zo gek niet

De deal die toenmalige officier van justitie Fred Teeven sloot met drugscrimineel Cees H. moet volgens Hans Nelen in de context van die tijd worden gezien.

Staatssecretaris Fred Teeven trad deze week af. foto ANP/Bart Maat

Er wordt volop gespeculeerd over de deal die voormalig officier van justitie Fred Teeven in 2000 sloot met Cees H. De nasleep van die deal kostte deze week de kop aan minister Opstelten van Veiligheid en Justitie (VVD) en diezelfde Teeven.

Bij alle complottheorieën die over de deal de ronde doen, vergeet men de afspraak te bezien in de context van het ontnemingsbeleid aan het begin van deze eeuw. Ook denkt men niet aan de gebrekkige regie die het college van procureurs-generaal destijds voerde over dit soort afspraken.

Hoe zit het? Midden jaren negentig sprak de Amsterdamse officier van justitie Jules Wortel een vordering ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tegen Cees H. uit. Die bedroeg 500 miljoen gulden, omgerekend zo’n 220 miljoen euro.

Cees H., die was veroordeeld voor drugsdelicten, zou samen met een aantal andere delinquenten een duizelingwekkend vermogen hebben verdiend en werd hiervoor hoofdelijk aansprakelijk gesteld. Sinds de ontnemingswetgeving in 1993 in werking trad, is er geen omvangrijkere vordering op basis van art. 36e Sr. jegens een veroordeelde ingesteld.

Echter, de ontnemingszaak tegen Cees H. bleef jarenlang op de plank van het Amsterdamse Openbaar Ministerie liggen. Want de rechtbank Amsterdam stuurde het OM een aantal keren terug om het huiswerk over te doen en met een beter onderbouwde berekening van het voordeel te komen.

Hoewel met een aantal tussenstappen de vordering werd teruggebracht tot 3 miljoen euro, leek het er in 2000 nog steeds niet op dat het bedrag door middel van een rechterlijke maatregel op korte termijn kon worden geïncasseerd.

Het was dan ook geen verrassing dat Fred Teeven, die niet bij de oorspronkelijke ontnemingszaak was betrokken maar het ‘hoofdpijndossier’ in een later stadium kreeg toegeschoven, op zoek ging naar een creatieve oplossing. De zaak die ooit vol trots als de cause célèbre op ontnemingsgebied was gepresenteerd, moest zo geruisloos mogelijk worden afgesloten.

Het geldbedrag dat kon worden binnengehaald, leek plotseling van secundair belang. Voor alles moest verder gezichtsverlies van het OM worden voorkomen. Het resultaat kennen we inmiddels: van het bedrag op een Luxemburgse bankrekening waarop op verzoek van de Nederlandse autoriteiten conservatoir beslag was gelegd, zou 750.000 gulden naar het OM worden overgeboekt. Het restant, ruim 4,7 miljoen gulden, kreeg H. op een rekening teruggestort.

De deal roept een groot aantal vragen op. Een van de belangrijkste is waarom de fiscus niet werd geïnformeerd over de inhoud van de afspraak – daardoor ontliep H. immers een stevige belastingaanslag.

We moeten daarbij wel bedenken dat, anders dan nu, het OM en de fiscus indertijd nog nauwelijks gezamenlijk optrokken in een geïntegreerde aanpak van zware criminaliteit. Ook moeten we niet vergeten dat de resultaten van de ‘plukze’-wetgeving, die begin jaren negentig met veel tromgeroffel werd aangekondigd, enorm tegenvielen. Zo werd tussen 1995-2001 slechts 27 miljoen euro aan wederrechtelijk verkregen voordeel met behulp van de ontnemingswetgeving ontnomen, terwijl in de ramingen voorafgaand aan de invoering van de wetgeving werd gesproken over een veelvoud daarvan.

De inschatting van Teeven en zijn superieuren kan daarom zijn geweest dat een deal, die het OM per saldo een klein bedrag opleverde en een einde maakte aan een slepende procedure, op dat moment de minst slechte optie was.

Misschien ook heeft de gebrekkige wijze waarop de leidinggevenden binnen het OM hun sturende en toezichthoudende rol vervulden, de deal beïnvloed.

In het boek Post Fort, dat ik samen met Henk van de Bunt en Cyrille Fijnaut in 2001 schreef, schetsen we hoe politie en justitie tussen 1996 en 1999 de ware toedracht van de IRT-affaire, waarbij politie en justitie onder meer duizenden kilo’s softdrugs op de markt lieten komen, probeerden te achterhalen. Ook aan de activiteiten van Fred Teeven wordt in het boek aandacht besteed.

Het beeld dat oprijst, is dat de betrokken officieren van justitie in de genoemde periode beschikten over een grote beoordelingsvrijheid en handelingsruimte en dat zij altijd werden ‘gedekt’ door hun hoofdofficieren. In Amsterdam was dat destijds Hans Vrakking.

Het college van procureurs-generaal had na de afwikkeling van het conflict met minister Sorgdrager – dat in 1998 leidde tot de terugtreding van voorzitter Docters van Leeuwen en tot aantasting van het gezag van procureur-generaal Steenhuis – nog niet de slagkracht om voldoende regie over de strafrechtelijke opsporing en afwikkeling van gevoelige zaken te voeren.

Van Fred Teeven was het bekend dat hij, met het oog op waarheidsvinding, deals met criminelen een geëigend middel vond. Hij heeft, met steun van zijn hoofdofficier, vermoedelijk veel ruimte geclaimd en gekregen om de overeenkomst met H. naar eigen inzicht in te richten. De deal is ongetwijfeld gemeld aan het college van procureurs-generaal. Maar heeft het college geprobeerd om invloed op de inhoud van de overeenkomst uit te oefenen – en zo ja, in hoeverre?

De Tweede Kamer heeft inmiddels aangedrongen op een grondig onderzoek door een onafhankelijke commissie naar de gang van zaken rondom de gewraakte deal. Zo’n onderzoek is goed, want er resten nog vele vragen. Wel zullen de onderzoekers voldoende oog moeten hebben voor de context waarin de deal tot stand is gekomen.