Te snel, te veel

Graffitikunstenaar Jean-Michel Basquiat was een aan drugs verslaafd wonderkind, dat in een vloek en een zucht opbrandde. Een kwart eeuw na zijn dood staat hij nog volop in de belangstelling.

tekst Arjen Ribbens

Onverkoopbare kunst heeft van galeriehouder Hans Sonnenberg een welgesteld man gemaakt. Neem zijn schilderijen van Jean-Michel Basquiat. In zijn galerie Delta in Rotterdam bood de voormalige scheepsbevrachter in december 1982 vijf doeken aan van de 21-jarige graffitikunstenaar uit New York. Grote werken vol doorgekraste teksten en cartooneske beeldmotieven. Het schilderslinnen was gespannen op slonzige, met spijkers en touwtjes verbonden latten, die op de hoeken uit het doek staken. Stoere schilderijen die toen niemand wilde hebben en die nu tot de meest begeerde op de kunstmarkt horen. Twee jaar geleden veilde Christie’s in New York een andere vroege Basquiat voor bijna 49 miljoen dollar.

Zes jaar na zijn tentoonstelling in Rotterdam zou Jean-Michel Basquiat (1960-1988) aan een overdosis overlijden, op een leeftijd waarop de meeste kunstenaars nog dromen van hun eerste expositie. Ruim een kwart eeuw later is zijn nagedachtenis nog springlevend. Hoe kon deze voormalige straatkunstenaar zo razendsnel carrière maken? En hoe wisten Nederlandse kenners in het pre-internettijdperk Basquiat zo snel op te pikken?

Hans Sonnenberg had voor zijn eerste Basquiat-tentoonstelling zijn best gedaan. Hij had een affiche laten drukken en een bescheiden catalogus, die hij onder zijn klanten verspreidde. Op de opening kwamen hooguit vijftig bezoekers af, zegt de inmiddels 87-jarige kunstverkoper, die nog altijd actief is in zijn galerie in het hart van Rotterdam. „Ik kan niet zeggen dat de tentoonstelling aansloeg. Jonge mensen vonden het leuke kunst, maar de verzamelaars die het konden betalen, wilden er niet aan.”

Op kunstbeurzen had Sonnenberg evenmin succes met de schilderijen. „In Basel en Keulen werd me steeds gevraagd: Wer hat diese Kinderbilder gemalt?

De galeriehouder had de vijf werken een paar maanden eerder in de studio van Basquiat uitgezocht en er ter plekke 22.500 dollar voor afgerekend. „Het was cash and carry. Om aan dat geld te komen, had ik een paar werken van Constant uit mijn privéverzameling aan een Cobra-liefhebber aangeboden.”

Later, toen Basquiat naam had gemaakt, verkocht Sonnenberg alsnog drie van de schilderijen: eentje aan de Deutsche Bank en de andere aan een Britse en een Amerikaanse kunsthandelaar. Inderdaad, aan buitenlanders, beaamt Sonnenberg. Nederlanders kopen geen schilderijen, zegt hij: „Dat kost namelijk geld.”

De overige doeken – „de twee beste” – hield de galeriehouder zelf. Jaren later, in 2000, gaf hij ze aan Museum Boijmans in bruikleen, samen met nog dertien andere, aanvankelijk net zo onverkoopbare kunstwerken van Claes Oldenburg, David Hockney en Piero Manzoni. Een groots gebaar, dat door het museum in 2009, toen Sonnenberg de werken definitief cadeau deed, werd beloond met een tentoonstelling en het boek Meneer Delta, de bijnaam van de galeriehouder.

Rotterdam is de stad waar hij zijn geld heeft verdiend, verklaart Sonnenberg zijn gift. „En wat moest ik op mijn 72ste nog met tientallen miljoenen? Als ik dat geld op mijn 42ste had kunnen krijgen, was ik een kunsthandel in Antwerpen begonnen.”

Sonnenberg had Basquiat bij toeval leren kennen. Tijdens een etentje in maart 1982 vroeg Boijmans-directeur Wim Beeren of hij zin had om mee te gaan op een werkbezoek aan New York. Een paar dagen later waren de Rotterdammers in downtown New York aan het galeriehoppen. Bij Annina Nosei, een vooraanstaande galeriehouder belandden ze op de opening van de eerste solotentoonstelling van ene Jean-Michel Basquiat. „Een timide jongen in een spijkerbroek met een overhemd en een hoedje op. Geen praatjesmaker, en ook zag hij er niet uit als een drugsgebruiker”, herinnert Sonnenberg zich de kunstenaar.

Hij herkende zijn uitzonderlijke talent. „Een genie, dat zag ik meteen”, zegt Sonnenberg. „En helemaal niet duur.” De galeriehouder kocht voor „een paar duizend dollar” een portret van de bokser Sugar Ray Robinson (dat hij in 2007 bij Christie’s liet veilen voor 6,5 miljoen dollar) en maakte een afspraak voor een expositie later dat jaar in Rotterdam. Ook Wim Beeren sloeg toe. Hij koos voor Boijmans een groot, ongetiteld doek, plus drie tekeningen.

Het museum kreeg van Annina Nosei 20 procent korting op het schilderij, blijkt uit de nota in het museumarchief. Voor de vier werken tezamen betaalde het museum 7.040 dollar. Ongetwijfeld een van de beste aankopen van Beeren. Het schilderij staat op het omslag van een groot boek over Basquiat dat een paar jaar geleden verscheen en is dit voorjaar een van de topstukken op een overzichtsexpositie van de schilder in het stadsmuseum van Toronto. Toen het schilderij op 15 januari vanuit Rotterdam op transport ging, had het een verzekeringswaarde van 35 miljoen euro.

Waardestijging

Een verhaal over Jean-Michel Basquiat kan niet zonder voorbeelden van de enorme waardestijging van zijn werk. Het acht pagina’s dunne catalogusje van de tentoonstelling bij galerie Delta in 1982 doet op veilingsite eBay al snel 500 dollar, het affiche zelfs enige duizenden dollars. En de schilderijen die niemand toen voor omgerekend 9.000 euro per stuk wilde kopen, zouden op de veiling nu meer dan het duizendvoudige opleveren.

Basquiat is een van de belangrijkste exponenten van de kunstwereld die in de jaren tachtig op drift raakte. Na de abstracte en conceptuele kunst van de jaren zeventig maakte de schilderkunst een door verzamelaars en critici warm onthaalde comeback. Voormalige graffitikunstenaars als Kenny Scharf en Keith Haring, ‘wilde’ schilders als Julian Schnabel en David Salle en neopopartkunstenaar Jeff Koons maakten als een komeet carrière. De kunstwereld swingde als nooit tevoren, beurshandelaren gingen in kunst beleggen en beginnende galeriehouders ontpopten zich in korte tijd tot vermogende groothandelaren die „in hun jargon, macht en levensstijl nauwelijks nog te onderscheiden waren van hun rijke cliënten in Wall Street”, zoals Phoebe Hoban in 1998 schreef in haar fascinerende biografie Basquiat – A Quick Killing in Art.

Beroemdheid en hebzucht, het werden in de jaren tachtig de belangrijkste drijfveren van de kunstwereld, stelde Hoban. Kunstkopers kochten kunst als loten, in de hoop dat de prijzen zouden verdubbelen dan wel verdrievoudigen – zoals met het werk van Basquiat gebeurde. Het idee dat kunst verzamelen de enige sociaal geaccepteerde vorm van inhaligheid is, dateert uit die tijd. Representatief is het vraaggesprek dat The Wall Street Journal in 1983 had met A. Alfred Taubman, een winkelcentramagnaat die Sotheby’s overnam en de mores bij het veilinghuis veranderde door zich niet meer te richten op verkoop aan handelaren maar aan particulieren.

Taubman verkondigde dat kunst verkopen net zoiets was als root beer verkopen, de zoete Amerikaanse frisdrank. „Mensen hebben schilderijen net zo min nodig als root beer. Wat wij moeten doen is ze het gevoel geven dat kunst kopen gelukkig maakt.”

In die door geldbejag gedreven kunstwereld was Basquiat een tamelijk willoos slachtoffer. En ging hij, door zijn afhankelijkheid van drugs, de snelle dood tegemoet die Hoban tot de ondertitel van haar biografie inspireerde. Het succes, schrijft zij, was voor Basquiat duidelijk een kwestie van ‘te veel, te snel’.

Charlie Parker

Basquiat was als zijn muziekhelden Charlie Parker en Jimi Hendrix: een zwart, aan drugs verslingerd wonderkind, dat in een vloek en een zucht opbrandde. Als kind van twee immigranten – zijn vader kwam uit Haïti, zijn moeder uit Puerto Rico – groeide hij op in een middle class milieu in Brooklyn. Zijn ouders leerden hem Spaans en Frans en regelmatig was hij in het museum te vinden – op zijn zesde was hij ‘junior member’ van het Brooklyn Museum. Maar voor gehoorzaamheid had hij geen talent, vond vader Gerard, een accountant die weinig grip had op zijn zoon.

Op zijn veertiende gebruikte Basquiat al grote hoeveelheden drugs en op zijn vijftiende liep hij voor het eerst van huis weg. Hij leefde een tijdje tussen de zwervers in het Washington Square Park in New York, gebruikte lsd en verdiende de kost met prostitutie. Toen de vader zijn zoon terugvond, stelde deze hem gerust: „Papa, op een dag zal ik wereldberoemd zijn.”

Basquiat kreeg bekendheid als graffitikunstenaar SAMO, een afkorting voor ‘Same Old Shit’. Hij spoot geen gestileerde tags op metrostellen en muren, maar onderscheidde zich met geheimzinnige teksten (‘Pay For Soup/ Build A Fort/ Set That On Fire’) waarover een bewonderend artikel verscheen in The Village Voice.

Basquiat leefde op straat en verdiende wat geld met de verkoop van beschilderde T-shirts en ansichtkaarten. Toen hij op een dag zijn grote voorbeeld Andy Warhol in een restaurant zag lunchen met kunstbons Henry Geldzahler, stapte hij naar binnen om zijn zelfgemaakte kaarten aan te bieden. Geldzahler vond zijn kunst „te jong”, Warhol kocht een paar kaarten. Niet veel later zou Geldzahler een belangrijk pleitbezorger worden van zijn kunst, en Warhol, de beroemdste kunstenaar van zijn generatie, een surrogaatvader met wie hij samen tientallen grote doeken zou schilderen.

Bolero

Basquiats carrière begon met twee groepstentoonstellingen van jonge kunstenaars. De teksten en tekeningen van SAMO en beschilderde T-shirts trokken daar de aandacht. Galeriehoudster Annina Nosei bood de graffitikunstenaar het souterrain onder haar galerie aan als studio en geld om schildersbenodigdheden te kopen. Basquiat ging als een bezetene aan het werk, Nosei soms tot wanhoop drijvend door de Bolero van Ravel uit de speakers van zijn boombox te laten klinken, steeds opnieuw.

Zijn eerste expositie in maart 1982 – de tentoonstelling waar Hans Sonnenberg en Wim Beeren verzeild raakten – was een groot succes: alle werken werden direct verkocht, op één avond werd 200.000 dollar omgezet. Critici prezen Basquiats talent om diverse invloeden te verenigen, van historische grottekeningen en primitieve Afrikaanse kunst, tot de collagetechnieken van Robert Rauschenberg en de expressionistische verfuitbarstingen van Willem de Kooning.

Ook Rudi Fuchs, toen nog directeur van het Van Abbemuseum in Eindhoven, ging dat voorjaar op atelierbezoek bij Basquiat, samen met de Duitse galeriehouder Michael Werner. Fuchs was hoofdcurator van de Documenta 7 in Kassel, de grote, vijfjaarlijkse tentoonstelling over actuele kunst. Hij besloot Basquiat te selecteren, als jongste van de 182 deelnemers. „Zijn werk had een aantrekkelijke energie”, herinnert Fuchs zich. „Tussen de gevestigde namen wilde ik ook een aantal opkomende talenten tonen.”

De productie van Basquiat was enorm; in acht jaar tijd zou hij meer dan tweeduizend kunstwerken maken. Al snel had hij een assistent die voortdurend in de weer was met het opspannen van doeken, of het afschuimen van de vuilcontainers in de stad, want Basquiat schilderde ook graag op oude deuren, ramen en kisten.

Handelaren en belangrijke verzamelaars dromden om hem heen. Het verhaal deed de ronde dat wie de schilder in zijn atelier opzocht met voldoende contant geld op zak, direct wat kon uitzoeken. Ook Mick Jagger ging bij Basquiat langs, zo lezen we in het boek van Hoban. „Wil je een lijntje?” vroeg de schilder, wijzend naar een schaal gevuld met cocaïne. De Rolling Stones-zanger bedankte: „I’m into jogging.”

Van tussen de zwervers slapen in het park naar geld als water hebben, daar zat bij Basquiat nauwelijks tijd tussen. Hij liet het geld rollen. Zijn bezoekers konden zich laven aan exquise wijnen, de koelkast stond vol met delicatessen van Dean & Deluca en altijd slingerde wel ergens een zak met drugs. Zijn kasten hingen vol met Versace- en Armani-pakken, die altijd onder de verf zaten omdat hij er ook in schilderde. Meestal verplaatste hij zich per stretched limousine.

In het New Yorkse nachtleven speelde hij een belangrijke rol. Hij maakte muziek, was dj en verkeerde vaak in gezelschap van Deborah Harry van Blondie , David Byrne en andere hemelbestormers. Hij versleet een stoet aan vriendinnen, van wie velen de vriendschap met gonorroe moesten bekopen.

Zijn bekendste lover was Madonna. Eind 1982 logeerde de beginnende zangeres een aantal maanden met Basquiat bij kunsthandelaar Larry Gagosian in Los Angeles. Madonna maakte een eind aan de verhouding. Zij deed fanatiek aan fitness en health food, Basquiat consumeerde voor 500 dollar per dag aan drugs en stond zelden voor vijf uur ’s middags op. Die combinatie werkte niet, vertelde ze vier jaar later aan de Britse krant The Guardian. Toen ze in 1988 hoorde dat haar ex was overleden, was de zangeres niet verbaasd. „Jean-Michel was te breekbaar voor deze wereld.”

Afro-Amerikaans

Basquiat was de eerste Afro-Amerikaanse schilder die wereldfaam vergaarde. In zijn werk zijn verwijzingen naar raciale spanningen te vinden, maar zelf wilde Basquiat beslist geen zwarte schilder zijn, maar een beroemde kunstenaar. Het feit dat hij in een verder witte wereld acteerde, leidde echter tot spanningen. Donkere critici negeerden hem omdat ze zijn entourage te blank vonden en in interviews moest hij dikwijls dubieuze, aan zijn huidskleur gerelateerde vragen beantwoorden. En hoeveel bankbiljetten hij ook in zijn broekzakken had zitten, met zijn dreadlocks lukte het hem zijn gehele carrière niet een taxi aan te houden. In dure restaurants keken andere gasten hem soms met de nek aan.

Een belangrijk moment in Basquiats loopbaan was een omslagartikel van het magazine van The New York Times, dat op 10 februari 1985 verscheen. Voor de coverfoto poseert hij in een met verf besmeurd Armani-kostuum, onderuitgezakt op een stoel, zijn blote voeten rustend op een andere stoel. Arrogant blikt hij in de lens. Een kroonprins die fuck you zegt tegen het establishment, zo beschreef Phoebe Hoban de foto in haar biografie.

Fotograaf Lizzie Himmel legde later uit waarom Basquiat geen schoenen droeg. Ze had weinig tijd, want ze moest die dag ook nog een portret van Keith Haring schieten. Toen ze op het afgesproken tijdstip arriveerde, lag de schilder apestoned in bed. Met hulp van een assistent lukte het Himmel met grote moeite om Basquiat in een pak te hijsen. Voor schoenen ontbrak de tijd.

Basquiat baalde van de strekking van het artikel, waarvan de kop luidde: ‘New Art, New Money; The Marketing of an American Artist.’ Het ergerde hem dat hij werd neergezet als een creatie van zijn galeriehouders. „Alsof ik het niet allemaal zelf heb gedaan”, klaagde hij tegen vrienden.

Tragedie

Zijn levensstijl had iets suïcidaals. Op zijn 23ste kreeg hij de moeder van een vriend op bezoek. De vrouw verbaasde zich over een schaal met coke in zijn atelier. Ze zei: „Je kan niet tegelijk een groot kunstenaar én een grote tragedie zijn.” Basquiat moest lachen en vroeg: „Waarom niet?”

Vanaf de onverwachte dood van zijn goede vriend Andy Warhol, in februari 1987, stevende Basquiat in snel tempo op de tragedie af. De kwaliteit van zijn werk nam zienderogen af, al was dat aan het commerciële succes niet te merken. Als mooie jongen liep hij die zomer nog mee in een show van het hippe Franse modemerk Comme des Garçons. In 1988, toen zijn drugsgebruik excessief was geworden, kon hij de catwalk beslist niet meer op. Hij had zweren in zijn gezicht, zijn gebit veranderde in een fietsenrek en hij vertrouwde niemand meer. Kunsthandelaren en verzamelaars deugden niet, wilden alleen maar beter van hem worden. Basquiat was de kunstwereld zat, schilderen deed hij nauwelijks meer. Hij liet weten schrijver te willen worden.

Op 12 augustus van dat jaar gebeurde waar vrienden hem voor hadden gewaarschuwd: Basquiat stierf in zijn appartement in Great Jones Street in New York een junkiedood – hij stikte in zijn braaksel na een overdosis heroïne en cocaïne. Tussen de bijna duizend kunstwerken in zijn nalatenschap zat een recent schilderij dat tot zijn meesterwerken behoort: Riding with Death, een magere, donkere man op de rug van een skelet, dat op handen en voeten over de grond kruipt.

De kunstmarkt beschouwde Basquiats dood als een belangrijke stap in zijn carrière. De schilder was nog niet begraven of het speculeren was al begonnen. Van 25.000 dollar per schilderij stegen de prijzen al snel naar tonnen.

Basquiat hoort nog altijd tot de meest verhandelde kunstenaars ter wereld; vorig jaar bedroeg de veilingopbrengst van zijn werk bijna 150 miljoen dollar. Schilder/regisseur Julian Schnabel verfilmde zijn leven (met Jeffrey Wright in de hoofdrol en David Bowie in de rol van Andy Warhol). Vier jaar geleden ging de voortreffelijk documentaire Jean-Michel Basquiat: The Radiant Child van regisseur Tamra Davis in première. Over zijn werk verschijnen nog steeds nieuwe boeken. En in Toronto en New York zijn dit voorjaar grote tentoonstellingen over zijn werk.

In de epiloog van haar biografie benadrukte Phoebe Hoban nog eens dat Basquiat tegen vrienden vaak zei dat beroemd worden voor hem zwaarder telde dan de kwaliteit van zijn werk.

Als faam is wat Jean-Michel Basquiat echt wilde, dan heeft hij in korte tijd onwaarschijnlijk veel voor elkaar gekregen.