‘Roept-u-maar’ als leidraad voor de wetenschap

Alexander Rinnooy Kan en Beatrice de Graaf willen iedereen inspraak geven in de wetenschap.

Foto Roger Cremers

Heeft u, burger van Nederland, een vraag die u altijd al wilde stellen aan de wetenschap? Hoe kunnen we gezond 100 jaar worden? Is publieksparticipatie goed voor de democratie? Wat is ruimte?

Vanaf 1 april kan het, via de website www.wetenschapsagenda.nl. En misschien wordt uw vraag dan wel opgenomen in de Nationale Wetenschapsagenda. Dat is de lijst met een stuk of tien thema’s, waarop het onderzoek in Nederland zich de komende tien jaar sterk zal richten. Eind dit jaar moet de lijst er zijn.

Hoe dat in zijn werk gaat? Sinds eergisteren is het bekend. In een café aan de Amstel lichtten de twee voorzitters van de wetenschapsagenda hun aanpak toe. De een, Alexander Rinnooy Kan, is 65 jaar, wiskundige en een doorgewinterd bestuurder. De ander, Beatrice de Graaf, is 38 jaar, historicus, en een aanstormend wetenschapper.

De Graaf: „Zoals wij het aanpakken is het niet eerder gedaan in Nederland. Ook niet in het buitenland trouwens. Er zijn her en der wel agenda’s, maar die zijn in een achternamiddag in elkaar geflanst, en...”

Rinnooy Kan: „Nou, nou, dat is een beetje onaardig.”

De Graaf: „Sorry. Maar neem nou de Vlaamse agenda. Die is opgesteld door 230 experts. Wij kiezen voor een heel open proces. Iedereen moet kunnen meedoen. We willen geen mensen buitensluiten.”

Worden alle burgervragen in behandeling genomen?

Rinnooy Kan: „De vragen mogen niet te groot zijn en ook niet te klein.”

Heeft u een voorbeeld?

Ze denken even na.

De Graaf: „Wat is de toekomst van de wereld?”

Rinnooy Kan: „Die is te groot, ja. Per vraag wordt eerst bekeken of je ’m wel wetenschappelijk kunt onderzoeken. Daarna, of er al een antwoord op bestaat, want we weten al heel veel. Er moet ook te verwachten zijn dat er bij het beantwoorden van een vraag in een periode van tien jaar vooruitgang wordt geboekt.”

Bent u niet bang dat u tienduizenden vragen krijgt?

De Graaf: „We nemen een risico. High risk, high gain. Het kan chaotisch worden, maar ik hou wel van chaos. Van gecontroleerde chaos. Belangrijk is dat we met deze aanpak duidelijk maken hoe breed en aansprekend wetenschap is. Het is creatief, het prikkelt, spreekt tot de verbeelding.”

Wat bedoelt u daarmee?

De Graaf: „Dat onderzoek altijd een moment van creatieve ingeving kent. Dat kan de agenda niet sturen, dat kan niemand vangen, maar daar moet wel ruimte voor zijn. Zelf vraag ik me bijvoorbeeld al tijden af hoe je emoties, zoals angst en gevoelens van onveiligheid, in het verleden kan ‘vangen’. Zijn we altijd zo bang zijn geweest voor terrorisme als we nu zijn? Je zou denken dat je dat soort emoties niet kunt terughalen. Maar ik heb nu toch een paar ideeën gekregen...”

Rinnooy Kan: „Hé, zo werkt het in de wiskunde ook! Je zit met een probleem. Je staat ermee op, en je gaat ermee naar bed. Dagen, maanden, jaren gaan voorbij. En dan opeens!”

De Graaf: „Precies! Ik stond dus vannacht om half vier op, het jongste kind huilde. Daarna ben ik nog maar wat gaan lezen in Waverly, een bestseller van sir Walter Scott uit 1814. Het is een liefdesverhaal en het speelt tijdens de Schotse opstand in 1745, maar ik vond er ineens ook allerlei beschrijvingen van angst en spanning rond terreur en oorlog in terug. Dus toch die emoties! Dat brengt me nu op allerlei ideeën.”

Waarom is ervoor gekozen de burger inspraak te geven in de onderzoeksagenda?

De Graaf: „Daar zit wel een idee achter. Volgens de Duitse filosoof Jürgen Habermas drukt de ware democratie zich uit in het publieke debat. Via een open en vrije communicatie komen we tot een redelijke omgang met de wereld en met elkaar. Wetenschappers moeten in gesprek gaan met allerlei publieken, en omgekeerd. Zo krijg je nieuwe wetenschap, door vragen vanuit de samenleving, het bedrijfsleven. Ik weet van Unesco en het Rijksmuseum al dat ze via ons initiatief bijeen willen komen met wetenschappers. De agenda geeft dit proces hopelijk van onderop een zetje.”

Is de agenda ook bedoeld om bij de burger het geschaad vertrouwen in de wetenschap weer wat te repareren, na de vele fraudegevallen en de recente kritiek op universiteitsbesturen?

Rinnooy Kan: „Nee, dat zit er niet achter. Volgens mij valt het trouwens wel mee met die schade.”

Stel dat burgers vragen hoe we een snellere omslag kunnen maken naar duurzame energie? Bent u niet bang dat de gevestigde fossiele belangen dan ingrijpen?

De Graaf: „Nee. Alle binnengekomen vragen worden bekeken door een jury. De KNAW en de Jonge Akademie organiseren vijf van die jury’s, over verschillende wetenschapsgebieden. In zo’n jury zitten mensen uit de Kenniscoalitie [zie inzet, red.], dus ook uit het bedrijfsleven, maar ze worden allemaal voorgezeten door wetenschappers.”

Zullen er door de focus op een beperkt aantal thema’s niet allerlei andere onderzoeksrichtingen in de verdrukking komen?

Rinnooy Kan: „We weten dat daarover grote nervositeit bestaat bij wetenschappers. Ze vrezen dat hun favoriete onderwerpen niet levensgroot in de agenda staan. En dat ze het dan zouden kunnen schudden. Maar dat is nadrukkelijk niet de opzet ervan. Ons motto is: alles wat in de agenda staat is belangrijk, maar lang niet alles wat belangrijk is komt ook in de agenda.”

Maar er zal toch meer geld naar de gekozen thema’s gaan, zodat er minder voor de rest over blijft?

Rinnooy Kan: „Wij gaan niet over geld. Wel zeggen we als kenniscoalitie dat er meer geïnvesteerd moet worden in wetenschap. Maar we zullen er geen suggestie voor doen.”

De Graaf: „Er komt geen euro in die agenda te staan.”

Mijnheer Rinnooy Kan, u heeft als voorzitter van de Sociaal Economische Raad en van de Kennis Investeringsagenda jarenlang gepleit dat er meer overheidsgeld naar hoger onderwijs en onderzoek moet. Maar het is er niet van gekomen. Waarom ligt dit bij de politiek zo moeilijk?

„In Nederland heeft de wetenschap geen vijanden, maar ik vrees ook geen echte vrienden.”

Zelfs niet bij uw partij, D66?

„Als u er zo specifiek naar vraagt: bij D66 als enige. Ik bedoel vrienden.

„Nederland wil tot de top vijf van kenniseconomieën behoren. Maar wat opvalt is hoe weinig er, ten opzichte van andere toplanden, in r&d wordt geïnvesteerd. En ik geef toe, over die r&d-cijfers kun je van alles zeggen. Het gaat niet alleen om geld, maar ook hoe je het inzet. Toch is het verschil met bijvoorbeeld Zwitserland en Denemarken wel heel erg groot. En we halen dat niet in, want er komt geen geld bij. Sterker nog, de trend van de overheidsfinanciering in r&d is uitgesproken negatief!”

Wat vinden jullie van de huidige discussie over het doorgeschoten rendementsdenken aan de universiteiten?

De Graaf: „Ver vóór alle acties en protesten aan de UvA hadden wij het over het democratiseren van de wetenschap. Ik zie het nu ook in Utrecht. Docenten zijn daar een protestbeweging begonnen. De rode draad is dat mensen inspraak willen. En dat begrijp ik goed. Het marktdenken is doorgeschoten. We moeten maar innoveren, tomaten veredelen, enzovoorts. Dat is ook belangrijk, maar wetenschap is meer.”

Rinnooy Kan: „Mij is niet altijd duidelijk wat met de term ‘rendementsdenken’ precies wordt bedoeld. Los daarvan, zoals ik het zie, is het op enig moment in de mode gekomen voor bestuurders om zich minder met details te bemoeien. Ze gingen meer op afstand besturen. Maar om toch te weten wat er speelde, wat de kwaliteit was van onderwijs en onderzoek, werden indicatoren opgesteld. Zo begon de spiraal. Nu is er een excessief vertrouwen in kwantitatieve indicatoren die maar gedeeltelijk iets zeggen over de kwaliteit. Dat zie je overigens niet alleen in de wetenschap, maar ook in de gezondheidszorg en andere gebieden.”

De Graaf: „We staan nu op een keerpunt. Dat willen we met onze aanpak ook uitdragen.”