Proust lezen en dan sterven

Pieter Steinz heeft de spierziekte ALS en verbindt het verloop van zijn ziekte met de boeken die hij (her)leest. Deze week: Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust

Illustratie Marieke Knaapen illustratie marike knaapen

Lang heb ik ’s middags op de bank geslapen. Tot een jaar geleden, toen de ALS me dwong om elke keer als ik plat ging liggen de beademingsmachine in te schakelen, bracht ik mijn verplichte siësta door in de voorkamer van ons huis – een ruimte die aan weerszijden bekleed is met boekenkasten, waarin de romans en verhalenbundels alfabetisch en op taalgebied gerangschikt zijn maar eigenlijk uiteenvallen in drie categorieën: boeken waaraan ik plezier heb beleefd, boeken die ik zo goed vond dat ik ze ooit wilde herlezen en boeken die ik had gekocht of gekregen maar waarvoor ik nog niet de tijd had gevonden. Liggend onder een dekentje, in de soezerige staat die over je komt als je bijna in slaap valt, liet ik mijn ogen langs de ruggen glijden en besefte ik iedere keer weer hoe jammer het was dat ik nog maar een fractie zou kunnen lezen van de vele boeken die ongeopend op me stonden te wachten. Aan Our Mutual Friend, De opwindvogelkronieken en De boeken der kleine zielen zou ik niet meer toekomen, evenmin als aan het herlezen van De broers Karamazov, Don Quichot of Als op een winternacht een reiziger. In blessuretijd moesten de doelen afgebakend zijn, en de mijne werden Verloren illusies van Balzac, Leven en lot van Vassili Grossman, Wolf Hall van Hilary Mantel en Op zoek naar de verloren tijd van Proust.

Zoals altijd kwam het dagelijks leven ertussen: de dagen vulden zich met kranten, televisie, schrijfopdrachten, sociale contacten, doktersbezoek – er bleef weinig tijd om te lezen over, te meer daar de moeheid exponentieel toenam, de concentratie gedurende de dag afnam en de houding waarin ik gewend was te lezen mij allengs de adem benam. Lezen werd topsport, leestijd een schaars goed. Maar vorige week ben ik dan toch eindelijk begonnen aan Op zoek naar de verloren tijd. Of liever aan deel twee van Prousts romancyclus: In de schaduw van de bloeiende meisjes, en daar dan het eerste boek van. Het is bijna een cliché om te zeggen dat je Proust bewaart voor je pensioen, maar de vraag is of dat soort uitstelgedrag wel verstandig is: voor de labyrintische zinnen en filosofische beschouwingen van de Franse meester heb je behalve veel vrije tijd ook een lenige geest nodig (alsmede een goede vertaling), en dus kun je er niet vroeg genoeg aan beginnen. Ik heb mijn best gedaan; las Combray, het eerste boek van deel één, in een slapeloze nacht als student en Een liefde van Swann, boek twee, niet lang daarna. Ik was onder de indruk, maar toch duurde het bijna twintig jaar voor ik het slotboek van De kant van Swann las. En in de jaren daarna vond ik voor niet veel meer de tijd dan voor de stripbewerkingen van Stéphane Heuet en het ironische zelfhulpboek How Proust Can Change Your Life van Alain De Botton.

Maar nu kwam het erop aan: de laatste kans voor dit ultieme book to read before you die. Te beginnen met het deel met die prachtige titel, en meteen al met een zin van honderd woorden – nog langer dan de tweede zin van deze column. De ik-figuur is een jaar of zestien, woont met zijn ouders in Parijs, maakt kennis met de wereld van salons, standsverschillen en snobisme en beleeft een kalverliefde met Gilberte, de dochter van Charles en Odette Swann, door wie hij al sinds heel lang gefascineerd is. De beschrijvingen zijn geestig, de overpeinzingen van de hoofdpersoon zijn memorabel – de kantlijn vult zich met potloodstreepjes – maar het tempo ligt laag en het lezen vergt een inspanning die ik niet veel langer dan een uur per sessie kan opbrengen, te weinig om er lekker in te komen; waarbij het niet helpt dat Proust heeft bezuinigd op rustpunten in de tekst: sommige alinea’s zijn vier pagina’s lang, terwijl het boek ook al geen hoofdstukken of witregels heeft. Het weerzien met de Recherche, waarvan ik me zoveel had voorgesteld, valt een beetje tegen; en de enige troost is dat dat helemaal spoort met een van de thema’s van In de schaduw van de bloeiende meisjes, namelijk dat de voorstelling die je van kunst en kunstenaars maakt vaak veel overweldigender is dan de werkelijkheid.

Ik weet het, het ligt aan mij. Zoals ik niet meer kan eten, drinken, hardlopen en praten, zo kan ik kennelijk ook niet meer alles lezen wat ik wil – of tenminste niet in het tempo en met het plezier dat ik gewoon was. Ik denk dat ik het uitlezen van Op zoek naar de verloren tijd kan toevoegen aan het lijstje van dingen die ik altijd gewild heb en nooit meer zal doen: in een driesterrenrestaurant eten, whisky’s proeven in Schotse destilleerderijen, de marathon van Boston lopen, een literaire talkshow presenteren op televisie, een reis maken in de voetsporen van de Graaf van Montecristo, naar de dierentuin gaan met een kleinkind. Gelukkig zijn er andere schrijvers die minder van je vergen dan Proust. Op naar Hilary Mantel en Honoré de Balzac!