Je bent een vijand als je schrijft

De Algerijnse schrijver Kamel Daoud flirtte als puber met de radicale islam. Nadat de literatuur hem had ‘gered’, met name het werk van de Franse schrijver Camus, is hij nu doelwit van een fatwa. „Ik wil niet dat de angst mijn leven overneemt.”

De Algerijnse auteur Kamel Daoud. „Grappen over, zeg, de pijn van de Joden of de boeddhisten in Tibet hoeven van mij niet.” Foto Denis Allard REA/Hollandse Hoogte

Kamel Daoud heeft het geteld: 25 keer gebruikt de Franse schrijver Albert Camus in zijn roman L’étranger (De vreemdeling) het woord ‘Arabier’ voor de man die door zijn hoofdpersoon Meursault op het strand wordt doodgeschoten. Een naam heeft het slachtoffer niet, een geschiedenis evenmin. In de vorig jaar in Frankrijk verschenen roman Meursault, contre-enquête vertelt Daoud (44), columnist bij de Franstalige Algerijnse krant Quotidien d’Oran, het levensverhaal van ‘Moussa’, de man die op het verkeerde moment op de verkeerde plaats was.

Het boek werd een bestseller, bejubeld door alle grote Franse kranten en in Algerije volgens de uitgeverij de best verkochte roman ooit. Daoud, in Algerije al jaren bekend als virulent criticus van het regime van president Bouteflika en van de religieuze autoriteiten, was op slag een belangrijke stem in het Franse debat over vrijheid, identiteit en de islam. Niet het minst omdat hij zelf in zijn puberteit had geflirt met radicale islamistische groepen en, naar eigen zeggen, door de literatuur ‘gered’ werd.

Maar nu is hij zelf het doelwit van een fatwa. Na een optreden in december in een populaire Franse talkshow beschuldigde de Algerijnse salafistische imam Abdelfateh Zaoui Hamadache hem van ‘apostasie’, afvalligheid. Daoud zou „een oorlog voeren tegen Allah, zijn profeet, de Koran en de heilige waarden van de islam”, zei de imam. Directe aanleiding was Daouds uitspraak dat „het vraagstuk van de religie” in de Arabische wereld „van levensbelang” is geworden. „Als we de vragen rond God niet aansnijden, dan kunnen we de mens niet rehabiliteren, dan gaan we niet vooruit”, had hij gezegd.

Het idee voor zijn succesboek, vertelt Daoud bij een kop koffie in Parijs, begon bij het bezoek van een Franse journalist aan Oran voor een verhaal over de „sporen die Camus in Algerije had achtergelaten”. Camus werd in het land geboren, woonde er het grootste deel van zijn leven en sprak zich uit tegen koloniale misstanden. Maar hij weigerde in de Algerijnse oorlog te kiezen voor of tegen onafhankelijkheid.

De bezoekende journalist was „de zoveelste” die Daoud vroeg aan wie Camus nu eigenlijk toebehoorde: aan Frankrijk of aan Algerije? „Daar heb ik toen een geïrriteerd stukje over geschreven, waarin ik speelde met dat detail van die gedode Arabier zonder naam. We weten alles van de moordenaar, maar vrijwel niets over de dode. Na dat stukje belden mijn uitgevers en vroegen of ik er een roman van kon maken. Dat heb ik gedaan.”

Daoud praat snel en stellig, in poëtische oneliners die weinig tegenspraak dulden. Steeds laat hij stiltes vallen om zijn woorden kracht bij te zetten.

Camus, zegt hij, veroorzaakt nog altijd „een gevoel van onbehagen”, in Algerije maar ook in Frankrijk. „Je bent vóór of tegen hem, een middenweg, zoals bij mij, is nooit goed mogelijk geweest. Het was iemand die de zorgen van zijn tijd uitsprak maar weigerde een essentiële ethische positie in te nemen, een positie vóór Algerije en tegen Frankrijk. Was hij Frans? Was hij Algerijns? Hij is bij ons geboren, maar heeft ervoor gekozen om begraven te worden in Frankrijk. Bij het regime staat hij om die reden niet in een goed daglicht. Islamistische conservatieven kritiseren hem vooral vanwege zijn revolutionaire en antireligieuze kritiek in L’homme révolté (De mens in opstand) en Le mythe de Sisyphe.”

Precies die twee werken van Camus waren bepalend in het leven van Daoud zelf. Hij groeide op bij zijn grootouders vlakbij de kustplaats Mostaganem, ging naar een Arabische school en leerde zichzelf Frans met behulp van de vijftien Franstalige boeken van zijn grootouders en een vervallen schoolbibliotheek. Op zijn dertiende ontdekte hij de islam en raakte hij, zoals veel jongeren in Algerije in de onrustige jaren tachtig, in de ban van een clandestiene groep „proto-islamisten”, zoals hij het zelf eens noemde. Hij werd fanatieker, trok van de ene dissidente moskee naar de andere, nam deel aan trainingskampen en bepleitte een „zuivere islam”.

Tot hij van de ene op de andere dag, al lezend, „de waanzin” bevatte, zegt hij nu. „Wie veel boeken leest, gaat richting democratie, vrijheid en tolerantie. Heb je maar één boek tot je beschikking, of dat nu de Bijbel, de Koran of Mao’s Rode Boekje is, dan word je fanatiek.” Op zijn twintigste las hij Camus en was hij voorgoed genezen. „Ik heb veel gelezen. Dat kan ik iedere islamist aanraden.”

Heeft de fatwa uw leven veranderd?

„Ik leef meer onder de radar nu, veel discreter en voorzichtiger”, zegt hij, bedachtzaam formulerend. „Ik kan niet anders. Publieke ontmoetingen probeer ik zoveel mogelijk te voorkomen. Natuurlijk ben ik bang, vooral voor mijn kinderen. Maar ik wil niet dat de angst mijn leven overneemt. Ik wil onder geen beding in ballingschap. Ik ben Algerijn en woon in Algerije, alleen daar kan ik schrijven. En ik blijf schrijven.”

De imam ontkent na alle ophef dat hij tot uw dood heeft opgeroepen.

„Dat is pervers. Als je in de moslimwereld zegt dat iemand een apostaat is, een afvallige, dan kan iedereen hem vermoorden. Zo werkt dat, of je nou in Algerije, Frankrijk of Nederland bent. De imam had het over ‘onze islam’ die ik zou hebben aangevallen. Waarom is het zijn islam? Is hij representant van God? Waarom hij en niet ik? Heeft Allah hem als advocaat aangesteld? Ik schrijf boeken, ik roep niet op tot de dood. In wat men de Arabische wereld noemt, ben je de vijand als je pleit voor democratie, vrouwenrechten of als je domweg schrijft. Als God een probleem met me heeft, dan laat hij me dat wel weten.”

De ambivalentie verhouding tot religie van hoofdpersoon Haroun in het boek is die van Daoud zelf. Haroun zegt het zo: „Religie is voor mij openbaar vervoer, waar ik geen gebruik van maak. Ik hou ervan naar God te gaan, lopend als het nodig is, maar niet met een georganiseerde reis.” Daoud zegt „op afstand” religieus te zijn, zich „cultureel” moslim te voelen, „zoals een ongelovige Europeaan Kerst viert”.

„Wat mij met God verbindt”, zegt hij, „gaat niemand iets aan. In Algerije zeg ik altijd: wie niet kan sterven in mijn plaats heeft geen recht om in mijn plaats te leven. Men kan mij wellicht van advies dienen, maar men kan niet zijn oplossing afdwingen.” Even later: „Ik wil de islam niet in de zee werpen, maar ik wil ook niet dat de islam ons de zee inwerpt.”

Wat bedoelde u toen u zei dat het „vraagstuk van de religie” opgelost moet worden?

„We komen niet vooruit in de Arabische wereld als we religie niet ter discussie stellen. Dat is een kwestie van leven of dood. Vroeger kon je zeggen: islamistische terroristen zijn een Algerijns probleem. Maar dat is niet meer zo, onze religie is een mondiaal probleem geworden, zoals het christendom in Europa een probleem was van de veertiende tot ongeveer de zeventiende eeuw. Ik hoop eigenlijk dat het bij ons minder tijd gaat kosten.”

Verlichting dus?

„We moeten een keus maken: redden we de goden of redden we de mensen? Na de Tweede Wereldoorlog dachten we de grenzen van de gruwelijkheid te hebben bereikt. Maar vragen over geweld, de menselijke waardigheid en de vrijheid zijn weer terug. Daesh [Arabische en Franse naam voor IS] verplicht ons om dit soort woorden opnieuw te definiëren. De gruwelijkheid kent geen grenzen.”

In de westerse wereld was veel discussie over het al dan niet plaatsen van de spotprenten van Charlie Hebdo. Begrijpt u de gevoeligheden?

„Ja, maar daar gaat het debat nu niet over. Als ik moet kiezen tussen een tekenaar of een moordenaar, dan steun ik de tekenaar. Zo simpel is het. Als deze hele affaire voorbij is, dan begint de discussie of een tekening je al dan niet kwetst en of er grenzen zijn aan de vrijheid van meningsuiting.”

Zijn die er?

„Je moet een minimum van respect voor de pijn van een ander hebben. Grappen over, zeg, de pijn van de Joden of de boeddhisten in Tibet hoeven van mij niet. Maar ik wil het daar nu dus niet over hebben. Ieder land heeft zijn eigen cultuur en geschiedenis tegenover religie, als je die tekeningen niet toont, dan betekent dat nog niet dat de terroristen gelijk hebben, want terroristen hebben nooit gelijk. Tegenover de moordenaar verdedig ik de tekenaar.”

‘Je suis Charlie’ is te simpel?

„Die uitspraak is op zichzelf een religie geworden, met bijbehorende inquisitie en al. Je moet de vrijheid verdedigen, maar ook de vrijheid van de ander om iets anders te geloven. Mensen hebben het recht om niet Charlie te zijn en dan niet meteen bij het kamp van de islamisten ingedeeld te worden. Vrijheid gaat volgens mij vóór iedere andere waarde: het is het enige dat ik echt persoonlijk bezit, dus ik heb het recht erover te praten. Mijn leven is absoluut en mijn vrijheid dus ook.”

Begrijpt u door uw jeugd waarom jongeren zich door de jihad aangetrokken voelen?

„Ik zocht naar een doel in mijn leven toen ik dertien was, een alternatief leek niet voorhanden. Dat geldt nog steeds. Buiten het islamisme is er voor veel jongeren in de wereld geen alternatief ideologisch aanbod. Je bent zoekende, hebt behoefte aan iets absoluuts. En dan zijn er mensen die je een boek bieden, een werkelijkheid en comfort – al gaat dat helaas gepaard met het doden van anderen. De vraag is wat wij daar tegenover kunnen stellen. Niet veel, vrees ik. Noch het Westen, noch de intellectuelen van de Arabische wereld hebben een voldoende verleidelijk aanbod waarmee je je leven kunt inrichten.”

Nee?

„De economieën in Noord-Afrika zijn rampzalig, cultuur is nooit de prioriteit geweest. En de islamisten, die verstrekken gratis boeken.” Daoud grist een exemplaar van zijn boek van tafel en leest de prijs voor: 19 euro. „Onze boeken kosten veel geld, dat is een groot probleem.”

Het kolonialisme, een centraal thema in uw boek, is in Frankrijk vaak een verklaring van de radicalisering.

„Maar dat interesseert jongeren van twintig geen barst. Het kolonialisme was natuurlijk fout, een vreselijke misdaad, maar je kunt niet alle problemen van nu daar aan toeschrijven. De machten houden die mythe in stand om te overleven. Ik word er in Algerije vaak van beticht dat ik te Frans ben, maar ik woon gewoon in Algerije, terwijl de mensen van het regime hun kinderen in Frankrijk hebben zitten en hun geld in Zwitserland gestald hebben.”

Put u wat dat betreft enige hoop uit de prille democratie Tunesië?

„De Arabische Lente is geen mislukking, nog niet althans. Je kunt niet verwachten dat je al na twee jaar democratie hebt. Dat duurt veel langer. De revolutie in Tunesië is vooral geslaagd omdat je er een sterke middenklasse hebt en een grote toeristische industrie.”

‘Ik heb me nooit een Arabier gevoeld’, zegt Haroun in het boek. ‘Dat is als de négritude (het neger-zijn: een term uit de antikoloniale literatuur), die bestaat alleen in de blik van de blanke.’ Geldt dat ook voor u?

„Europeanen noemen zich Frans, Italiaans, Hollands en u noemt ons allemaal Arabieren. Dat is een verbeelde geografie, een cultuur, een manier om te domineren, een kolonisatie. Arabieren bestaan niet. Ik ben Algerijn, dat staat in mijn paspoort.”

Arabier zijn is geen identiteit?

„Zonder blanken geen négritude, zonder Fransen geen Arabieren. De Arabier bestaat alleen omdat jullie het zeggen. Als wij Europa hadden gekoloniseerd dan hadden we gediscussieerd over een blanchitude, over het wit-zijn. Je moet je niet alleen bevrijden van de aanwezigheid van de ander, maar ook de blik van de ander verwerpen. Dat is in feite wat de islamisten nu doen. Voor hun bestaat de blanchitude: de invloed van het Westen, van de blanke, is de vijand.”

Waarom schrijft u eigenlijk in het Frans?

„Het Arabisch is gepolitiseerd, geïdeologiseerd. Het is een taal van religieuze leiders en politici ...” Daoud valt even stil als zijn uitgever binnenkomt om hem op te halen voor een volgende afspraak. Dan, glimlachend: „Het Frans is voor mij de taal van de vrijheid. Maar als iemand genoeg geld biedt, dan stap ik over op Arabisch.”