Ik was een meisje...

Elke week staat hier een fictieverhaal. Deze week een fragment uit Voor altijd voor het laatst, de eerste roman van Tjitske Jansen.

...in een mand bij mijn moeder achter op de fiets. De mand was om me heen, om mijn buik, mijn onderrug, mijn benen die aan één kant langs het wiel naar beneden hingen. Ik zag de planken van de brug onder ons door schieten. Steeds een plank en dan een donker randje. Plank, randje, plank, randje. De randjes, ruimte tussen de planken, water onder de brug.

In een zitje aan mijn moeders stuur. Voor aan het zitje zat een extra stuur: een stang met zwarte handvatten. Wanneer ik de linkerkant van dat stuur naar me toe bewoog, ging de rechterkant naar achteren, en andersom. Ik wist dat mijn stuur geen echt stuur was. Eerst vond ik dat jammer. Tot ik ontdekte hoe het voelde om mijn stuur recht te houden terwijl mijn moeder een bocht omfietste. Of, wanneer mijn moeder rechtdoor fietste, fanatiek te doen alsof ik een bocht omging. Wat ik ook graag deed: de handvatten stevig beetpakken en ze zo snel als ik kon naar voor naar achter naar voor naar achter naar voor naar achter te bewegen. En dat mijn moeder dan onafhankelijk van mij gewoon doorfietste. Soms wilde ik juist met haar meesturen.

Mijn moeder bleef me in dat zitje zetten toen ik er eigenlijk al te groot voor was en het een heel gedoe was mij in en uit het stoeltje te krijgen. Het gedoe maakte mijn moeder bozig. Alsof ik iets fout deed door zo hard te groeien. Ik probeerde zo goed mogelijk te helpen maar wist niet hoe dat moest. Ik was opgelucht als het weer was gelukt. Ik maakte me zorgen. Op een dag zou mijn moeder me nog net in het stoeltje krijgen, tijdens het fietsen groeide ik verder, en ze kreeg me er niet meer uit.

Een van mijn meest favoriete bezigheden was het krassen op wonderpapier, met kleurpotlood. Wonderpapier was glad, wit, glanzend papier waar verder niets aan viel te zien. Maar zodra je op het papier ging krassen, begon er een afbeelding tevoorschijn te komen. Ik bekraste altijd een heel vel met dezelfde kleur. Het hele vel veranderde in die kleur, alleen werd op sommige plekken de kleur dikker dan op de rest van het vel. Al die dikkere kleur samen bleken lijnen te vormen. Zo kwam er een afbeelding tevoorschijn. Hoewel ik vele uren van mijn leven ben bezig geweest met het bekrassen van wonderpapier, heb ik niet één van de tevoorschijn gekomen afbeeldingen onthouden. Ik was niet geïnteresseerd in de afbeeldingen, ik was geïnteresseerd in het tevoorschijn komen ervan.

Op een dag waren mijn moeder en ik in de HEMA. Terwijl mijn moeder in de rest van de HEMA was, stond ik te kijken naar het assortiment aan wonderpapier (waarvan ik de officiële benaming ben vergeten). Eén en al verlangen. Ineens kwam mijn moeder woedend het gangpad in. ‘Dus hier ben je!’ schreeuwde ze. ‘En als je nu niet heel snel meekomt, stroop ik je broek naar beneden en geef je waar alle mensen bij zijn een pak slaag op je blote kont.’ Ze pakte me bij een hand, m’n linker, ze trok me mee de winkel door, de winkel uit, de straat over, waar haar fiets tegen een muur stond. Ze probeerde me al schreeuwend in het zitje te krijgen, wat door al dat schreeuwen nog moeilijker ging dan anders, waardoor ze nog meer ging schreeuwen, waardoor het nog moeilijker ging. Een mevrouw kwam naar ons toe. Ze zei: ‘Zo ga je niet tekeer tegen een kind. Zo ga je trouwens tegen niemand tekeer.’ Mijn moeder vond dat de mevrouw zich met haar eigen zaken moest bemoeien.

Koninginnedag 1975. Een van de kleutergroepen van kleuterschool De Lijsterhof in Barneveld zou verkleed als Chinezen aan de Koninginnedagoptocht meedoen. Op de dagen die aan de optocht voorafgingen, maakten we een Chinese hoed en een vlecht van zwart katoenen draad die de juf aan de achterkant van de hoed vastniette. En elastiekjes onder onze kin door zouden ervoor moeten gaan zorgen dat we het geheel niet gingen verliezen.

Op de grote dag, de optochtdag, nadat een van de hulpmoeders mij geel had geschminkt, wilde ze mij een hoed opzetten waaraan een dikkere vlecht vastzat dan de vlecht die ik had gevlochten. Ik protesteerde. Ik wilde mijn eigen maaksel op mijn hoofd. Volgens de hulpmoeder moest ik niet zeuren, alle hoeden leken op elkaar. Ik kreeg de hoed op die een ander had gemaakt.

Het was niet de enige keer dat werkstukken die ik als kleuter maakte door volwassenen anders op waarde werden geschat dan door mijzelf. Rond Sinterklaastijd van hetzelfde jaar zou mijn eerste bundel gaan verschijnen. Hij bestond uit een stuk of tien tekeningen van Sinterklazen en zwarte Pieten. Ze vertelden samen een verhaal. De juffrouw ging ze op zo’n manier vouwen en knippen en nieten dat het een boekje werd. Aan haar bureau staand probeerde ik haar duidelijk te maken dat een van mijn tekeningen was mislukt. Niet alleen was de tekening mislukt, ook had ik al een nieuwe tekening gemaakt waarop ik dezelfde gebeurtenis als de gebeurtenis op de mislukte tekening had afgebeeld. Als die mislukte tekening in mijn boekje zou komen, stond er én een mislukte tekening in mijn boekje én werd dezelfde gebeurtenis twee keer getoond. Mijn juffrouw vond al mijn tekeningen even mooi. Ze gedroeg zich als een filmproducent, trok zich niets aan van het creatief brein van de maker. De mislukte tekening moest van haar in het boekje. Gelukkig kreeg ik nog wel voor elkaar dat ze helemaal achteraan in het boekje terechtkwam, op de achterflap. Zodat ik er, eenmaal thuis, met Sinterklaasmantelrode vingerverf overheen kon verven.