Ik praat nooit over mode

Modeontwerper, galeriehouder, kunstverzamelaar, regisseur, filantroop en oppasoma. Op haar 73ste is Agnès Troublé drukker dan ooit. „Ik ben een gulzig persoon.”

Met de klok mee, vanaf linksboven: met haar zonen Nicolas (links) en Etienne en dochter Ariane in 1975; in de jaren zeventig; als kind, verkleed als fee; Troublé na afloop van de show van haar mannencollectie voor 2015, afgelopen januari in Parijs, met (van links naar rechts), muzikant Baxter Dury, bokser Jean-Marc Mormeck, acteur en zanger Jules Pélissier, fotograaf Omar Victor Diop en muzikant Nicolas Kerr. Allen liepen mee in de show (foto Jean Picon); in haar eerste winkel; met Ryan McGinley, 2013. Midden: sweatvest met drukknopen (sinds 1979 in de collectie, er zijn er meer dan 2 miljoen van verkocht).

H et is dinsdag 13 januari, bijna een week na de aanslag op Charlie Hebdo in Parijs. Achter in de auto bij haar chauffeur brengt Agnès Troublé, beter bekend als agnès b., aan een zakenpartner in Japan verslag uit van de gebeurtenissen en protesten van de afgelopen dagen . „Het was de tweede Franse Revolutie”, zegt ze opgetogen. „C’était magnifique. Een historisch moment.”

Met miljoenen anderen gingen zij en haar medewerkers op 11 januari de straat op. De Place de la République, waar de demonstratie begon, ligt op een steenworp afstand van haar hoofdkantoor. Ze had meteen T-shirts laten bedrukken met ‘Je suis Charlie’ en die laten uitdelen aan klanten in haar winkels. „We deden de winkels dicht en iedereen die binnen was, ging mee”, vertelt ze. „Ik denk dat de mensen van extreem-rechts door de demonstratie aan het denken zijn gezet; er liepen mensen mee van alle rassen en geloven.”

Als de auto stopt bij het gebouw aan de Rue Dieu, waar haar kantoor is, steekt ze een sigaret op.

Voor wie alleen de stijlvolle, vrolijke, nooit confronterende mode kent van agnès b., is Agnès Troublé een verrassing. Niet alleen is ze zeer politiek bewust („Ik kom uit een rechtse familie, maar ben links”), ze is ook stoer en een tikje rebels. Een 73-jarig kind van de jaren zestig met engelachtige blonde krullen, dat nog altijd leest zonder bril en zich kleedt in korte rokken, shorts en zwarte skinny jeans. Ze gaat graag uit – „Ik heb gisteravond gegeten met Larry Clark en Revolt, een band uit Zuid-Amerika waarmee hij samenwerkt, ken je die? Ze hebben opgetreden in mijn nieuwe winkel”, en ze zegt dat ze harder werkt dan ooit, omdat er „meer en meer te doen is”. Wereldwijd zijn er meer dan driehonderd agnès b.-winkels, het merendeel in Azië, waar haar merk nog altijd groeit, en ze heeft 2.100 mensen in dienst. Maar ze werkt strikt op haar eigen voorwaarden: haar werkdag begint zelden voor het middaguur.

Als ze ’s avonds is uitgeweest, slaapt Agnès – ze wordt het liefst bij haar voornaam genoemd – in haar huis in Parijs, een ruim appartement dat uitkijkt over de Tuilerieën. Maar meestal is ze in Louveciennes, een klein dorp in de buurt van Versailles. Een van de rijkste selfmade vrouwen van Frankrijk bewoont daar een prachtig en idyllisch, maar niet overdreven groot huis dat Lodewijk XIV liet bouwen voor zijn lijfarts. Le coeur volant, heet het, het vliegende hart. De koning mocht in het weekend graag ontsnappen aan het protocol van het paleis, en had zijn arts, die uit Bourgondië kwam en hem goede wijn liet drinken, graag in zijn buurt. Troublé kocht het huis, dat omringd is door een grote tuin, twintig jaar geleden. „Dit huis heeft mij gevonden”, zegt ze. „Ik scheurde ooit een advertentie uit Le Figaro, en kwam die een half jaar later weer tegen in het boek waarin ik het had gestopt. Het huis was nog niet verkocht. Ik groeide op in Versailles, het park was onze achtertuin. Op mijn vijftiende had ik alles gelezen wat er was geschreven over het kasteel.”

In het huis, dat is ingericht met een mix van antiek uit de familie, kunstnijverheid uit Afghanistan, vlooienmarktvondsten en kunst van onder meer Alexander Calder en Jean-Michel Basquiat, woont ze samen met haar dochter en het gezin van haar dochter; zelf heeft ze een latrelatie.

Als haar dochter en haar vriend ’s ochtends vroeg naar hun werk gaan, zorgt ze voor kleinzoon Léon, een dreumes van zestien maanden met dezelfde blonde krullen als zijn grootmoeder. „Ik ga met hem in bad, dat vindt hij heerlijk.”

Troublé heeft vijf kinderen, van drie mannen, en zestien kleinkinderen – „Toen ik de laatste keer zwanger was, was ik al grootmoeder” – en sinds kort een achterkleinkind. „Léon beschouw ik als mijn zesde kind. Hij kwam bij mij toen hij drie dagen oud was. Zijn moeder was erg ziek na de bevalling en moest in het ziekenhuis blijven. De baby sliep elke avond bij mij in bed, daardoor hebben we een sterke band. Hij heeft mijn karakter: hij is altijd blij, verveelt zich nooit. Gelukkig is mijn dochter niet bezitterig.”

Als Léons nanny rond 12 uur arriveert, gaat Agnès naar Parijs. Haar werkdag kan tot laat in de avond doorgaan. Ze heeft mensen in dienst die de tassen van haar succesvolle tassenlijn ontwerpen – het huis brengt 300 modellen per jaar uit – en ze heeft mensen voor de prints en patronen van haar kleding. Maar elk kledingstuk voor kinderen, mannen en vrouwen is door haar persoonlijk ontworpen, zegt ze. „Ik houd er niet van om mijn naam te zetten op dingen die ik niet zelf heb bedacht. Ik nodig wel eens jonge ontwerpers uit, maar dan staat hun naam ook op het label. Gelukkig heb ik geen enkel probleem met creëren. Ik ben er dol op. Een kleur kan me al op een idee brengen.”

Modemerk agnès b. is niet Troublés enige bezigheid. Ze heeft een grote galerie, de Galerie du jour vlak bij het museum Centre Pompidou, en een eigen kunstverzameling van meer dan drieduizend werken. Deze zomer is in Lille een tentoonstelling te zien met een keuze daaruit. Haar filmbedrijf Love Streams produceerde films van onder anderen regisseur Harmony Korine (bekend van Spring Breakers). Met curator Hans-Ulrich Obrist brengt ze Le Point d’Ironie uit, een gratis blad dat wordt gemaakt in samenwerking met kunstenaars. Het is genoemd naar het ironieteken, een omgekeerd vraagteken dat ze ook aanbrengt op kledingstukken en accessoires. „Er gebeuren zoveel nare dingen in de wereld. Waar we kunnen, moeten we het licht houden.”

Ze is de belangrijkste financier van de Tara, een schip dat op oceanen data verzamelt die worden gebruikt om klimaatveranderingen te analyseren, en dat behalve wetenschappers ook kunstenaars meeneemt – „wetenschap kan kunst opleveren” – een project dat haar zo'n zeven ton per jaar kost. Ze denkt erover een eigen radioprogramma op internet te beginnen, „met muziek, gesprekken en poëzie”. Ze brengt dvd’s uit van bijzondere speelfilms. Op het etiket van de witte wijn, die ze schenkt bij een lunch van brood, foie gras, ham, kaas en salade, staat ‘Propriétaire Agnès Troublé’.

Heel soms, als ze in haar vakantiehuis in Bretagne is, of in het familiehuis in Antibes, doet ze wel eens even helemaal niets, zegt ze. „Maar verder eigenlijk nooit. Ik rust niet veel. Ik kook ook graag. Als ik niets om handen heb, lees ik. Ik kan geen dag zonder Le Monde.

„Voor mij is het volstrekt normaal om zoveel te doen. Ik ben een gulzig persoon. En ik ken geen stress, behalve als iemand die ik ken ernstig ziek is. Ik heb een heel rustige en opgewekte natuur.”

 

Speelfilm

Aan de lijst buitenschoolse activiteiten werd vorig jaar een nieuwe toegevoegd. Op het filmfestival van Venetië werd Je m’appelle Hmmm... gepresenteerd, de eerste speelfilm die door Troublé werd geregisseerd. De film vertelt het verhaal van een elfjarig meisje dat door haar werkloze vader wordt misbruikt, terwijl haar moeder als serveerster in een bar werkt. Tijdens een schoolreisje loopt ze weg, en verbergt zich in de vrachtwagen van een Britse chauffeur. Hij neemt haar op sleeptouw – wat voor hem niet goed afloopt. De film zit vol stijlexperimenten: soms wordt het beeld even zwart-wit of verschijnen in een bos opeens twee traditionele Japanse dansers. Of er verschijnt een tekst in beeld, in dat bekende handschrift van Troublé, dat we ook kennen van haar T-shirts.

Het debuut kreeg gemengde recensies, maar Troublé zegt blij te zijn met de ontvangst. „De eerste keer dat hij werd vertoond, in die mooie zaal in Venetië, applaudisseerde de hele zaal. Zo mooi.”

Hoe was het om voor het eerst een film te maken?

„Doodeng, ik had geen idee of ik het kon. Ik ben er zomaar ingesprongen. Maar het is een film die ik moest maken. Ik denk dat dit verhaal eruit moest, ik heb het script in twee dagen geschreven. Ik weet waarover ik het heb.”

U heeft dit zelf meegemaakt?

„Niet met mijn vader. Ik had een oom die te dol was op mij. Veel te dol. Hij was de echtgenoot van een zus van mijn vader. Het duurde van mijn twaalfde tot mijn zestiende. Hij heeft mijn adolescentie van mij afgepakt. Niemand beschermde mij.”

Wisten uw ouders ervan?

„Mijn moeder zag hem elke dag komen. Een lange, knappe man. Misschien was ze gevleid. In het weekend nam hij me overal mee naar toe. Ik kan er niet te veel over zeggen, mijn neven en nichten – zijn kinderen – zouden dat niet leuk vinden. Maar ze hebben de film gezien en waren zeer ontroerd.”

Neemt u het uw ouders kwalijk dat ze niet hebben ingegrepen?

„Mijn vader merkte natuurlijk dat deze oom heel veel van mij hield, hij kocht jurken voor me en meubels voor mijn kamer. Als zoiets bij een dochter van mij zou gebeuren, had ik snel ingegrepen maar hij was te puur om zich zoiets voor te kunnen stellen. Die oom had kinderen van mijn leeftijd. En ik wist niet hoe ik het moest vertellen. Ik schaamde me. Ik had lang blond haar, ik had op mijn tiende al borsten, ik was als stroop voor vliegen. Op die leeftijd realiseer je je niet wat je aantrekkingskracht is.”

Op de salontafel in het huis in Louveciennes ligt een zwart-witfoto die ze tegenkwam toen ze foto’s aan het uitzoeken was voor het boek dat in september uitkomt. Het is dit jaar veertig jaar geleden dat in Parijs de eerste agnès b.-winkel opende, en dat wordt gevierd met een biografie: agnès b., notre histoire.

De foto is genomen op Troublés eerste trouwdag. Zeventien was ze, een blonde engel in een traditionele witte jurk. Haar aanstaande, uitgever Christian Bourgois, was elf jaar ouder. „Mijn moeder was zo blij met dat huwelijk.”

Waarom trouwde u zo jong?

„Omdat ik katholiek was en puur wilde blijven. Maar het werkte niet. Hij omringde zich met intellectuelen, dat vond ik saai. Seksueel zaten we ook niet in dezelfde fase van ons leven. Ik hield niet van seks, ik hield niet van mannen.”

U houdt nu wel van mannen.

I love men. Maar ik moet verliefd zijn om een relatie aan te kunnen gaan.”

Was uw huwelijk ook een manier om u los te maken van uw oom?

„Natuurlijk. Toen ik hem vertelde dat ik verloofd was, werd hij zo boos, hij was helemaal overstuur. Hij wist dat hij niks meer kon doen. Hij was wel op het huwelijk, samen met zijn kinderen.”

Op haar eenentwintigste verliet ze Bourgois, samen met haar zoons; kort na haar negentiende verjaardag was ze bevallen van een tweeling. Een van hen, Etienne, heeft nu de zakelijke leiding over haar bedrijf. Ze leefde van de alimentatie die ze van Bourgois kreeg; omdat haar ouders haar scheiding afkeurden, wilde ze hun niet om steun vragen.

„Ik was altijd alleen met mijn zonen”, zegt ze. „Heel dierlijk eigenlijk. Ik had geen meubilair, alleen bedden. Het was niet gemakkelijk, ik kon net de huur betalen, maar we waren niet ongelukkig. Ik weet tenminste wat het is om geen geld te hebben. Dat is belangrijk om het leven te kunnen begrijpen.”

Het idee om modeontwerper te worden, was nog nooit in haar opgekomen. Tot ze op een dag een redacteur van modetijdschrift Elle tegenkwam, die onder de indruk was van haar outfit: „Ik droeg een mix van kleren uit goedkope winkels en de vlooienmarkt: een afgeknipte petticoat met cowboylaarzen en een legerjasje. Dat was begin jaren zestig interessant, men kleedde zich toen nog heel formeel.” Ze kreeg een baan als stylist bij het modeblad, maar kwam er snel achter dat ze liever zelf dingen bedacht dan te moeten kiezen uit het werk van anderen. Ze begon met ontwerpen, eerst bij Dorothée Bis en later voor onder meer Cacharel. „Voor de film Qui êtes-vous, Polly Maggoo? heb ik in 1966 al een gestreept T-shirt ontworpen. Die ben ik altijd blijven maken.”

In 1973 gebruikte ze voor het eerst de naam agnès b.. Een medewerker van een tijdschrift vroeg wat voor naam er bij de foto van een door haar ontworpen jurk moest komen. Als ontwerper had ze tot dan toe de achternaam van haar eerste man gebruikt, maar die wilde ze niet in het blad, dus kortte ze die af. De kleine letter in plaats van een hoofdletter vond ze ‘simpeler’.

Op aanraden van haar tweede echtgenoot, de negen jaar jongere Jean-René de Fleurieu, met wie ze haar jongste twee kinderen zou krijgen (ze had inmiddels ook een dochter van een andere man), opende ze in 1975 een eigen winkel, aan de Rue du Jour. Tegenwoordig zit daar een van haar mannenmodewinkels.

 

Revolutionaire boetiek

De eerste vestiging van agnès b. was een revolutionaire boetiek: 35 zebravinken vlogen vrij door de winkel. Bezoekers werden aangemoedigd teksten op de muren achter te laten, tussen de middag werd eten neergezet waarvan ook klanten mochten pakken. Troublé verkocht er sweatshirts, T-shirts, petticoats, overalls en jasjes; stoere, functionele kleding zonder poespas, iets geheel nieuws in die tijd, maar precies passend bij de geëngageerde tijdgeest. Veel van de kleding werd gemaakt in een Zuid-Franse fabriek die was gespecialiseerd in werkkleding voor schilders en bouwvakkers. Met die fabriek werkt ze nog altijd.

„De spullen kwamen wit binnen, we verfden ze in de zaak”, vertelt ze. „Het was een ongelooflijk succes. Mensen kochten de kleren terwijl ze nog hingen te drogen aan de vleeshaken; de winkel was een voormalige slagerij. De pers schreef voortdurend over ons. Je had toen heel goede moderedactrices die zelf konden kiezen wat ze lieten zien. Nu mogen stylisten alleen nog maar kleding gebruiken van merken die in hun bladen adverteren.”

U adverteert niet.

„Nooit. Er zijn mensen in mijn bedrijf die graag willen dat we dat gaan doen, maar ik weiger dat. Dat komt door mei 1968.”

Troublé liep mee in de studentendemonstraties die uitliepen op een veldslag en bracht met haar auto gewonden naar het ziekenhuis. „We wilden de maatschappij veranderen, waren tegen het kapitalisme en tegen advertenties.”

Merkt u het aan de verkoop, dat u niet adverteert?

„In Frankrijk is het moeilijker geworden. Gelukkig hebben we China en Japan, daar hebben ze ons de laatste tien jaar ontdekt. Ze begrijpen mij daar heel goed, ze houden veel van agnès b.. Alleen al in Hongkong zitten we op meer dan veertig locaties: we hebben er boetieks, restaurants, een bioscoop, bloemenwinkels, patisserieën. We verkopen in Azië lijnen die we hier niet hebben. En we hebben er een heel jong publiek, vooral in China en Taiwan. Ze zijn er heel vrij, dragen heel korte rokken.”

Wat vindt u van de merken die nu de toon aangeven in de modebladen?

„Al die zogenaamde luxe, ik vind het obsceen. 1.500 euro voor een tas, dat is voor veel mensen een maandsalaris. Die merken zouden hun spullen toegankelijker moeten maken, en dan niet alleen de lipsticks en de parfum. Dat soort dingen laat mensen ook alleen maar dromen, en dat is gevaarlijk, want die dromen zijn onrealistisch. Het is pure provocatie. Het verbaast me niets dat jonge mensen auto’s in de fik steken.

„Ik ben niet zo’n ontwerper die veel werk laat doen door stagiaires die niet worden betaald, en ik laat nog altijd 40 procent van onze kleren maken in Frankrijk, omdat ik het belangrijk vind de industrie hier in stand te houden. En ik laat geen dingen maken in lagelonenlanden. Mijn kasjmier truien komen uit China, dat is omdat het garen daar vandaan komt. Onze kleren zijn daarom niet goedkoop, maar ze zijn ook niet duur. Mijn klanten hoeven niet mee te betalen aan advertentiecampagnes. Soms neem ik genoegen met een kleinere marge, om de prijzen redelijk te houden.”

Hoe omschrijft u uw eigen producten?

„Ik houd van kwaliteit, van stijl. Weet je wat luxe is voor mij? Mijn zwarte, wollen houtje-touwtjejas, gemaakt in een traditionele fabriek in Engeland. Ik draag hem al vijftien jaar.”

Uw kleding is tijdloos. Uw vest van sweatstof met drukknopen uit 1979 zit nog altijd in de collectie.

„Ik kwam laatst een foto tegen die werd gemaakt toen de winkel in Amsterdam openging, in 1984. Het was de tweede winkel buiten Frankrijk. Op die foto draag ik het soort kleren dat ik nu nog aan heb. Ik heb altijd foto’s genomen van mijn kleding, en je kunt vaak niet zien uit welk jaar die komen. Aan modes als grote schoudervullingen heb ik nooit meegedaan. Ik heb nog nooit een trendboek in huis gehaald, ik kijk niet naar wat andere ontwerpers doen. Ik kijk wel eens naar het straatbeeld, maar vooral om te zien wat ik niet wil doen.”

Hoe zorgt u er met zulke tijdloze spullen voor dat mensen vaak genoeg terugkomen?

„Er zijn altijd nieuwe dingen, nieuwe dessins. We zijn net begonnen met een nieuw winkelconcept, chez b., voor jonge mannen en vrouwen. We verkopen er vooral jeans en T-shirts. We later er soms deejays draaien, of lanceren er een album. We hebben iemand in dienst die zich alleen maar bezighoudt met muziek. We nodigen bloggers uit om naar die evenementen te komen in hun agnès b.-kleren, en we geven ze cadeaus.”

Is het verwennen van bloggers niet een vorm van adverteren?

„Nee hoor. Ze zijn er gelukkig mee en delen dat met hun vrienden. Ze voelen zich deel van een groep. Het is een natuurlijk verhaal.”

Tijdens de gesprekken die ik met haar heb, staat Troublé vaak op en loopt naar kunstwerken toe. In haar woning in Parijs zijn dat vroege tekeningen van Warhol, foto’s die Max Natkiel in de jaren tachtig maakte van jonge punks in Paradiso in Amsterdam, een serie grote, kleurrijke schilderijen van sapeurs, Afrikaanse dandy’s, van de Congolese Pierre Bodo. In haar woonkamer in Louveciennes hangt een groot schilderij van Jean-Michel Basquiat. „Ik houd van mijn verzameling”, zegt ze meer dan eens.

De op jonge leeftijd aan een overdosis gestorven Basquiat, van wie ze ook een zelfportret bezit, beschouwde ze als een vriend, ook al bracht ze maar een avond met hem door. Ze ontmoette hem op de opening van zijn laatste tentoonstelling in Parijs.

„We werden meteen verliefd op elkaar, denk ik. Hij was lang en knap en droeg een bruin pak. Je kon alleen maar naar hem kijken, en naar zijn prachtige werk aan de muur. ‘Zo, ben jij dat’, zei hij tegen me. Hij kende de winkel, en vroeg altijd een shirt van agnès b. voor zijn verjaardag. Toen ik uit de galerie kwam, hoorde ik uit een pizzeria iemand mijn naam roepen. Hij zat daar op mij te wachten. We waren allebei uitgenodigd voor een diner bij [modeontwerper] Jean-Charles de Castelbajac, maar daar zijn we nooit aangekomen. Hij heeft een drankje voor me gekocht en we zijn twee uur gebleven. Later belde Basquiat me vanuit zijn hotel en wilde dat ik naar hem toe kwam. En de nacht erna weer. ‘Ik hou veel van je’, zei ik, ‘maar ik kan niet komen. Ik zie je in New York’. Maar ik heb hem nooit meer gezien.”

Waarom ging u die nacht niet naar hem toe?

„Ik had net een nieuwe geliefde. Maar het was geweldig om iemand te ontmoeten van wie je het gevoel had dat je hem al heel lang kende.”

U praat volgens mij liever over kunstenaars en kunst dan over mode.

„Ik praat nooit over mode! Al mijn vrienden zijn kunstenaars. Als meisje wilde ik museumcurator worden. Na school volgde ik tekenlessen aan L’école du Louvre, en voordat de tweeling kwam, werkte ik een tijdje in een galerie.”

Galerie du jour opende ze in 1984. De galerie staat vooral bekend om de fotografie. Troublé vertegenwoordigt de Amerikaanse fotograaf Nan Goldin in Frankrijk, en ze geldt als de ontdekker van de eveneens Amerikaanse Ryan McGinley. „Ik kwam hem tegen op een feest in New York, waar we wodka dronken uit de fles. Hij was nog heel jong, en totaal onbekend. Hij haalde een dozijn printjes uit zijn zak, en ik zag meteen de kwaliteit. Het leek een beetje op het werk van Nan Goldin: hij fotografeerde zijn vrienden – plezier, geluk en drama. Hij kwam daarna vaak langs in mijn kamer in het Mercer Hotel. Daar zat dan een hele groep jonge kunstenaars op mijn bed te eten en te drinken.”

Ze omringt zich graag met jongere mensen, zegt ze. Tegenwoordig trekt ze veel op met de muzikant Baxter Dury (1971), de zoon van Ian Dury en de Japanse graffitikunstenaar Hiraku Suzuki (1978). En ze heeft een fascinatie voor tieners en twintigers. „Jonge mensen zijn frisser. Voor hen is nog niks zeker, ze twijfelen nog aan alles. Ik houd van twijfel. Mensen die alles zo zeker weten, vind ik eng.”

U maakt niet de indruk dat u zelf veel twijfelt.

„Ik twijfel veel. Maar er zijn dingen die ik heb geleerd, wat een goede snit is, bijvoorbeeld. En ik kan heel goed beslissingen nemen. Dat moet wel als je zo’n groot bedrijf hebt.”

Heeft u al iets besloten over de toekomst van uw bedrijf? Hoe ziet dat er over twintig jaar uit?

„Ik heb geen idee. Ik ben eigenlijk alleen maar bezig met het volgende seizoen, en het seizoen daarna.”

U heeft nog geen opvolger voor uzelf benoemd.

„Ik heb het nu te druk om te gaan zoeken. Ik wacht op een ontmoeting met de juiste persoon. Maar ik maak me geen zorgen. Ik geloof in ontmoetingen. Ik ben op heel veel momenten in mijn leven de goede mensen tegengekomen. Als je je ervoor openstelt, dan gebeurt het vanzelf.”

De film My name is Hmmm..., het regiedebuut van Agnès Troublé, is maandag 16 maart te zien in EYE in Amsterdam, eyefilm.nl