Het ikje en de dokter: mag dat zomaar, van de krant?

Het ik van journalisten wordt steeds groter, hoor je wel eens zeggen. Ze lopen in hun eigen artikelen rond, analyseren er op los, geven meningen en krijgen columns met portretfoto (zie boven). Over de kracht en zwakte van ‘ik-journalistiek’ is al veel en uitputtend geschreven. Ook door mij.

Intussen doet het ego van krantenlezers het nog steeds met een verkleinwoord. Zij hebben in NRC Handelsblad, al jaren, hun ‘ikje’. Een klein, knus hoekje op de Achterpagina voor alledaagse belevenissen van lezers. Meestal met een knipoog, soms met een grimas of een traan.

Dat ‘ikje’ (maximaal 120 woorden) kent, in alle bescheidenheid, nog steeds een grote populariteit: het hoort bij de meest gelezen delen van de krant. Vaste thema’s: (groot)ouders en (klein)kinderen, botte artsen, lotgevallen van patiënten, hufterig gedrag in trein of op straat.

Met die kunstige stukjes, zegt redacteur Arjen Ribbens die in 2003 met de rubriek begon, geven lezers „een portret van Nederland op zijn allerkleinst”. Ribbens verzorgde ook De dikke ik, een bundel uit 30.000 ingestuurde ikjes die inmiddels enkele keren is herdrukt, en maakte latere bloemlezingen.

Maar de ikjes geven, hoe kan het ook anders, ook aanleiding tot kritiek, woede en soms zelfs ontzetting van andere ikjes, of ikken – andere lezers dus.

Allereerst: zijn ze wel altijd waar? Redacteuren van de Achterpagina letten op broodjes aap, en vissen er soms aperte verzinsels of gerecyclede klassiekers uit. Maar er glipt wel eens iets door. Berucht is een ikje uit 2006 over een Canadese oorlogsveteraan die in de trein zou zijn beboet – het leidde tot ophef (schande!) maar bleek gefabuleerd.

Een handvol lezers maakte deze week bezwaar tegen het ikje Eeuwige rust, geschreven door Mieke Kerkhof. Dat stukje gaat over de ouders van een baby die met een (voorspelde) fatale afwijking werd geboren, en kort daarna overleed. Als de dokter – en dat is Mieke Kerkhof – vraagt „waar hun zoon was gebleven”, antwoordt de moeder: „Nu even in de koeling, dokter. Hij wordt zo bij ons gebracht, maar mijn zoon slaapt graag uit.”

Lezers hadden om twee redenen moeite met deze ‘anekdote’. Mag een arts zoiets zomaar in de krant zetten, of is dit een schending van het beroepsgeheim? De ouders worden niet bij naam genoemd, er worden geen details gegeven over de behandeling – maar met wat ge-Google is in elk geval simpel te achterhalen in welk ziekenhuis dit zich heeft afgespeeld. En hoe zit het met de privacy van die ouders en hun familie, in hun verdriet?

Tweede bezwaar: is dit niet smakeloos, een komische noot bij een dode baby?

Allereerst: Mieke Kerkhof is gynaecoloog, verbonden aan het Jeroen Bosch Ziekenhuis. Zij is een ikjes-veteraan; ze schreef er in NRC Handelsblad ten minste 22. Daarnaast is ze columnist in het Nederlands Tijdschrift voor Obstetrie en Gynaecologie en publiceerde ze Even ontspannen, mevrouw (2014) een inmiddels herdrukt boek met anekdotes uit de gynaecologische beroepspraktijk.

Ze maakt die ikjes, zegt zij, altijd met medeweten en toestemming van haar patiënten. In dit geval, schrijft ze in een e-mail, waren de ouders (die wisten dat hun baby zo kort te leven had), bij lezing „ontroerd” door haar stukje en gaven ze „hartgrondig” toestemming het af te drukken. Het ikje is voorgelezen op de crematie van het jongetje, kopieën zijn uitgedeeld aan familie en vrienden.

Lang niet iedereen zal zoiets in de openbaarheid willen, denk ik. Maar dit stukje is dus niet, zoals briefschrijvers denken, buiten de ouders om gegaan. Het staat er niet bij, dat is waar, maar lezers moeten ervan uit kunnen gaan dat de krant zo’n anekdote niet zou willen afdrukken zonder medeweten van betrokkenen.

Onder het medisch beroepsgeheim valt intussen nog steeds alles wat een arts over een patiënt te weten komt. Maar, laat de KNMG weten, die zwijgplicht kan worden opgeheven als de patiënt – uit vrije wil en op basis van voldoende informatie – toestemming geeft. Blijft de vraag: hoe vrij is de patiënt? Deze ouders beslisten in elk geval bewust.

Tweede bezwaar: de ‘ongepaste’ humor. Kerkhof zelf vindt dit „een van de allermooiste ikjes” die ze heeft geschreven. Het stukje is ook niet zozeer grappig bedoeld; het „laat zien wat een krachtig wapen humor kan zijn in de strijd van ouders met groot verdriet”. Zo heb ik het ook gelezen, niet als een vrolijke noot.

Dan nog: moet een arts, die een vertrouwensrelatie heeft met een patiënt, in de spreekkamer tegelijk ook schrijver willen zijn? Kerkhof zegt: Het gaat mij niet om medische feiten, maar om het delen van de emotie, waar anderen ook baat bij kunnen hebben. Patiënten zijn er vaak apetrots op en heel blij mee.”

Toch wijst de geschokte reactie van de lezers erop dat het voor de krant altijd oppassen blijft met medische anekdotes, in ikjes, maar ook in andere stukken. Lezers hebben vaak hun eigen, even pijnlijke maar minder gestileerde ervaringen. Een lezeres die aanstoot nam aan dit stukje, liet weten dat een kind van haar zelf een baby had verloren – daarom was dit stukje zo hard aangekomen.

Een andere abonnee, die ook een naaste had verloren aan ziekte, stoorde zich aan een eendimensionaal, ‘lolliger’ ikje (niet van Kerkhof) over studenten geneeskunde in een college over kanker – dat lijkt me niet meer dan begrijpelijk.

En alweer langer geleden klaagde een lezer over een columnist die opgelucht, en geestig, vaststelde dat haar angstaanjagende rode ontlasting kwam door een bietenmaaltijd, en geen symptoom was van „de gevreesde ziekte”. Het laat zich raden: de vrouw van deze lezer was aan die ziekte overleden. De opluchting schoot hem in het verkeerde keelgat.

Moet je dan altijd rekening houden met mogelijke gevoelens van sommige lezers? Nee - al was het laatste voorbeeld wellicht te voorkomen geweest als de columnist ook een paar woorden had gewijd aan anderen die niet het geluk hebben opgelucht te kunnen zijn.

Zeker bij medische anekdotes is, behalve zorgvuldigheid, empathie geboden. In dit ikje ontbrak die niet, maar het blijft een goede herinnering voor de redactie.