Het gaat me er niet meer om te schitteren

De ‘Cruijff van het cabaret’ werd hij genoemd toen hij begon. In de roze villa op zijn landgoed in Soest kijkt Herman van Veen, 70, terug op zijn loopbaan en de gevolgen voor zijn leven. „In Nederland ben ik nog steeds een buitenbeentje.”

Herman van Veen. „Je zegt toch geen nee tegen Shirley MacLaine die je voorstelt een carrière te beginnen in de Verenigde Staten?” Foto: Merlijn Doomernik

Vraag Herman van Veen of hij merkt dat hij ouder wordt, dan volgt er geen gemopper over pijnlijke knieën of hoge bloeddruk. Nee, hij vertelt over zijn gevoel. Van Veen mag dan een zanger, violist, schrijver, troubadour en clown zijn, hij spreekt als een poëet. Soms zijn zijn zinnen wollig, soms zijn het loepzuivere beelden. Later in het gesprek zal hij vertellen dat hij de laatste tijd probeert nog zo min mogelijk in metaforen te spreken, maar na vijftig jaar op het podium haal je de behoefte aan mooie taal niet zomaar uit de artiest. Hij doet zijn best. Hij is reflectiever dan vroeger, vertelt hij.

Vandaag, zaterdag, wordt Van Veen zeventig jaar. Hij viert het in het Luxor Theater in Rotterdam waar hij deze weken met zijn nieuwste programma Kersvers staat, nadat hij eind vorig jaar veertig keer Carré uitverkocht. Hij komt ook met een nieuw boek, deel twee van zijn trilogie Herinnerde dagen. Er verschijnt een biografie geschreven door Emile Schra en een fotoboek van de Belgische fotograaf Herman Selleslags.

„Natuurlijk merk ik dat ik ouder word. Er is dat verbluffende besef dat alles zo ongelofelijk snel is gegaan. Ik herinner me nog de geur van natte jassen toen ik voor het eerst op de kleuterschool kwam. De eerste keer dat ik de zee zag. Alles lijkt wel gisteren gebeurd.”

Is het anders geworden om op te treden?

„Niet of nauwelijks. Omdat ik genetisch heel redelijk in elkaar zit, gelukkig. Wel is de show kaler. Directer. Het gaat me alleen nog om het overbrengen van wat ik te zeggen heb en niet meer om het kleuren en het schitteren eromheen. De show is ook muzikaler dan ooit.”

Er is meer veranderd. Hij gaat eerder naar het theater, rond drie uur is hij er meestal al. „Toen ik een jaar of dertig was stopte ik vaak om zeven uur nog ergens om te eten, tuimelde ik om half acht het theater in en ging ik kletsend het toneel op. Dat zou ik nu niet meer kunnen.” Voor elke voorstelling heeft hij een masseur, „dan heb ik een uur om de ruis kwijt te raken”. O ja, en zijn knieën doen soms toch wat zeer. Jaren terug had hij een act waarbij hij balanceerde op twee op elkaar gestapelde stoelen. Dat zal hij nu niet meer doen. Net zoals hij niet meer over de rugleuningen van de theaterstoelen naar het podium zal klauteren.

Al is zijn beweeglijkheid „als een hond die kwispelt van geluk” en dat zal wat hem betreft zo blijven. Zingen is zijn leven, vertelt hij, hij stopt wel als hij er niet meer is. Behalve dan als hij echt pijn zou krijgen, als hij „dingen zou moeten forceren”.

We hebben afgesproken in de roze villa op de Paltz, een landgoed in Soest waar Harlekijn Holland is gevestigd, het theaterbedrijf dat Van Veen oprichtte in de jaren zestig. De kiezelstenen oprijlaan, waar normaal alleen Van Veen parkeert, staat vol auto’s omdat er aan de parkeerplaats wordt gewerkt. Acht medewerkers regelen hier zijn management, geven boeken en cd’s uit en organiseren andere theater- en dansvoorstellingen. De deurbel gaat met regelmaat, op de achtergrond horen we mensen telefoneren. Het landgoed is ook de plek waar Van Veens schilderijen in een permanente collectie te bezichtigen zijn.

Herman van Veen, met zijn plechtstatige stem, zijn fladderige blouses en zijn zwierige, soms zweverige optreden heeft behalve fans ook flink wat tegenstanders. Mensen bij wie hij irritatie oproept, ook omdat hij arrogant en ijdel kan overkomen. Van Veen creëert zijn eigen wereld en lijkt immuun voor kritiek. Dat heeft veel opgeleverd, zullen zelfs zijn ergste criticasters moeten toegeven. Van Veens nieuwste cd is zijn 178ste album. Hij schreef zo’n zeventig boeken met verhalen, gedichten en herinneringen. Daarnaast heeft hij in totaal ongeveer 6.000 keer opgetreden, niet alleen in het Nederlands maar ook met een Frans-, Duits-, en Engelstalige tournee. Hij is erg populair in Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland. Hij speelt met enige regelmaat in Olympia in Parijs, hij trad op in Carnegie Hall in New York en in theaters van Zuid-Afrika tot Tokyo. En dan is er nog het succes van de door hem bedachte eend en kindervriend Alfred Jodocus Kwak.

Is Nederland altijd te klein voor u geweest?

„Nederland is niet te klein. Ik zou niet elk jaar een nieuwe voorstelling kunnen schrijven, die kwaliteiten heb ik niet. Dus ik wil graag een lange tournee van drie of vier jaar. We maken al vanaf het begin hetzelfde rondje langs Nederland, Vlaanderen, Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland en wat uitschieters links en rechts. Ik speel hier één seizoen, dat is voor ons 120 keer, en dan ben ik twee, drie jaar weg. Als ik terugkom zeggen de mensen: oh, daar heb je die gast weer. Dat is fijn terugkomen.”

U praat in Nederland vrij weinig over uw buitenlandse successen.

„Dat is ook niet van belang. In Frankrijk heb ik het ook niet over wat ik allemaal in Nederland doe.

„Het mooie van spelen in verschillende landen is dat elk land weer iets anders vereist. In Frankrijk is de grap belangrijk. Een lied is voor de Fransen een vluchtheuvel naar weer een grappige tekst of situatie, terwijl in Duitsland alles draait om het lied. Daar gaat het over taal en nemen ze de humor op de koop toe. Zwitserland is een clownsland. En in New York lijkt het alsof alles een streepje sneller moet.”

Hoe past Nederland in dat rijtje?

„In Nederland ben ik nog steeds een Außenseiter, een buitenbeentje. En dat is omdat ik geen cabaretier ben en niet in een hokje pas. Ik ben een muzikant met absurde aspecten.”

Bent u gevoelig voor kritiek?

„Tsja, sommige mensen vinden het maar niks wat ik doe en dat is prima. Maar als ik inhoudelijke kritiek krijg, luister ik graag. Ik ben niet zo ijdel dat ik daar last van heb. Al is het mijn ambitie om in alle situaties zoveel mogelijk, zoals mijn dochter Babette zou zeggen, bij mezelf te blijven.”

U lijkt dat van nature wel te doen…

„Nou. Ja? Ik heb ook wel de moed tot verdwalen. Je moet open staan voor invloeden en soms neem ik een advies ter harte dat dan toch niet mijn weg blijkt te zijn. Dat kan. Het is niet erg als ik tegen de muur knal, als het mijn keuze maar is. Je moet blijven zoeken. Ach, ik stoot me nog regelmatig aan dezelfde steen en denk dan toch dat er met de steen iets mis is.” Hij lacht en zegt dan: „Ontdekkingen doe je eigenlijk pas als je verschrikkelijk onderuit gaat. Mijn houding is daarom: See what happens. Laat het gebeuren.”

Uw nieuwste cd maakte u met de 23-jarige gitarist en co-producent Marnix Dorrestein. Eerder werkte u samen met het Rosenberg Trio en Daniël Lohues. Waarom zoekt u die andere invloeden op?

„Het is de constante drang naar vernieuwing. En de interesse van de ambachtsman – die blijft. Ik speel heel graag en vaak, en het liefst ook met mensen die een heel andere ervaring hebben dan ik. Daar leer ik van. Kijk, muziek is een taal. Het is als voetbal. Als je een pass geeft dan heb je al in gedachten waar die ander hem naartoe zal schoppen. Met muziek is dat net zo. Je ziet de modulatie komen, je kijkt elkaar aan, grinnikt en je weet: het kan alleen maar dáár naartoe.”

Bent u een teamspeler of een solist?

„Teamspeler. Absoluut. Ik heb geen schijn van kans zonder dat de mensen om me heen me dragen. Dat zal elke muzikant beamen.”

Maar het draait wel om u.

„Het draagt mijn naam en ik ben de schrijver van wat er gebeurt. Ik ben degene die het heeft bedacht. Maar je voert het met elkaar uit en iedereen heeft daar iets in te zeggen.”

Eind jaren 60 rijst de ster van Herman van Veen. Zijn muzikaal-clowneske soloprogramma Harlekijn gaat in 1965 in première, met daarin het Harlekijnlied, een parodie op de stemoefeningen van het conservatorium waar hij net is afgestudeerd. Eind 1967 speelt hij in de Haarlemse Schouwburg en Wim Kan is zo enthousiast dat hij op Van Veens affiches die in de stad hangen schrijft: ‘Van Harte aanbevolen. Wim Kan.’ In 1971, Van Veen is dan net 26 jaar, staat hij voor het eerst in Carré: twintig dagen mag hij er spelen. De eerste dag zit er nog geen tweehonderd man in de zaal (waar 1.750 mensen in kunnen) en het is ook nog eens voornamelijk familie. De laatste avond is het uitverkocht.

Hebben uw ouders u gestimuleerd om artiest te worden?

„Absoluut. Ik kom uit een arbeidersbuurt in Utrecht. Mijn vader was letterzetter en typograaf bij Het Parool, mijn moeder was een klassieke huisvrouw. Kinderen, mijn vader en het schoonhouden van het huis: dat was haar leven. Ik ben een typisch kind van na de oorlog. Mijn ouders – ze zijn nu dertien jaar dood – waren rond de twintig toen de oorlog begon en dat trok een streep door al hun ambities. Ze hebben er alles aan gedaan om voor ons mogelijk te maken wat ze zelf hadden gemist, daar ben ik ze ongelofelijk dankbaar voor.”

U ging naar de Montessorischool, terwijl kinderen uit uw buurt meestal naar een andere school gingen.

„Mijn ouders hadden het gevoel dat wij – mijn twee zussen en ik – niet tot ons recht zouden komen in klassikaal onderwijs. Ze waren heel vrij. Mijn vader was een aartsdemocraat en een aartssocialist. Ze wilden het beste voor ons. Toen ik naar het conservatorium ging heeft mijn vader ook veel overgewerkt om dat te betalen.”

Wanneer merkte u dat u talent had?

„Dat voel je meteen. Als kind al. Op de middelbare school zong en floot ik altijd in de klas en op een dag zei mijn leraar Abraham Mok: ‘Stop eens met fluiten, Herman, ga hier maar eens op fluiten’ en hij drukte een viool in mijn handen. Toen ben ik gaan spelen.”

In uw begindagen werd u de ‘Cruijff van het cabaret’ genoemd. Hoe ging u om met het plotselinge succes?

„Het gebeurt je. Dat is op zich niet zo problematisch, wat wel problematisch is, is dat je moet leren om de oprechtheid van anderen te taxeren. Dat kost tijd. In 1967 ontmoette ik een buitengewoon schattige man, vond ik toen, en hij bood me een platencontract aan. Ik kreeg 3,5 procent. Toen was ik al blij al had ik moeten betalen, maar nu weet ik dat hij me in zijn euforie ook 25 procent had kunnen betalen.”

Bent u daarom Harlekijn Holland begonnen?

„Ja. Ik wil altijd controle houden. Ik heb in mijn begindagen even een manager gehad maar toen ik erachter kwam dat ik niet alles hoorde, ben ik het zelf gaan doen. Ik vind het bovendien heel erg leuk om te doen. Ergens schuilt er ook een zakenman in me. Ik wil begrijpen wat er speelt. Ik wil onafhankelijk zijn. Dus ja, ik hou bij in welke zalen we kunnen spelen en wat de exacte zaalbezetting is.”

U heeft wel eens gezegd dat uw twee scheidingen uw grootste verdriet zijn.

„Kijk, waar ik op zakelijk vlak controle kan hebben, moest ik dat bij mijn scheidingen loslaten. Het zijn fenomenale kinken in de kabel, waar je voor je gevoel geen macht over hebt. En het heeft vooral te maken met verwachtingspatronen. Een mens verandert en dat voorzie je niet. Toen ik met Marijke trouwde, mijn eerste vrouw, zou ik onderwijzer worden, maar ik werd artiest en vloog de hele wereld over.”

Hij wacht even en vertelt dan verder. „Ik heb van mijn scheidingen enorm veel geleerd. In die zin zijn het verdrietige, maar ook gelukkige samenlopen van omstandigheden. Met de kinderen is het ook allemaal goed gekomen, al weet je dat van tevoren niet. We zijn een sterke familie. Ik zie of spreek mijn kinderen bijna elke dag.”

Hebben uw scheidingen te maken met uw succes op artistiek vlak?

„Er was enorm veel ruis in die tijd. Ik heb in de jaren 70 en 80 een hectische tijd meegemaakt. Ik kon een lp maken waarvan de verkoop zo maar dik boven het miljoen lag. Ik kon een lied schrijven dat ineens een radiohit werd. Ik heb die situatie mezelf weliswaar laten overkomen, maar ik kon de gevolgen niet overzien.”

Had u het anders willen doen?

„Ik weet het niet. Het gebeurt je gewoon. Iemand zegt: ik heb een theater voor je. Je denkt: natuurlijk moet ik dat doen, daar heeft Nina Simone nog gestaan. En dan zegt zanger Georges Moustaki dat hij ‘De bom valt nooit’ heeft vertaald en dat je naar Parijs moet komen. Dan ga je toch? Je gaat toch niet nee zeggen tegen Shirley MacLaine die voorstelt dat je een carrière moet beginnen in de Verenigde Staten? Dan zeg je toch tegen je verkering: ik ben over drie weken terug. Het is allemaal geweldig. Maar dat stapelt zich op. Je hebt je koffer nog niet uitgepakt of de nieuwe staat alweer klaar. Je hebt geen tijd om het te verwerken.”

Klinkt als een recept voor een burn out.

„Dat heb ik gelukkig nooit gehad. Ik kon me altijd staande houden, hoewel ik zware tijden heb gekend. Maar ik dronk in die periode niet. Ik deed het als een tennisser in het circuit, hoppend van het ene naar het andere land. Dus ik was heel strak en heel goed. Maar het knetterde maar door. Achteraf gezien… Achteraf, had ik meer tijd voor dingen moeten nemen. Er gebeurde te veel te snel. Al met al heb ik me er redelijk doorheen geslagen, maar ja, nu ik ouder word kan ik veel betere keuzes maken. Ik zeg nu nog steeds vaak ‘ja’ op dingen, maar dan plan ik meteen daarna een week rust om met mijn vriendin door het bos te sjokken.”