Fris

Wilfried de Jong draagt een pak en een polo van agnès b. Foto Annaleen Louwes

Mevrouw Troublé – agnès b. herself – vertelt in dit nummer waarom ze zo van adolescen-ten houdt: „Ze zijn frisser. Niks is nog zeker voor ze, ze twijfelen nog aan alles. Ik houd van twijfel.”

Laten we even naar mijn eigen coming-of-age tijd gaan. Eerst maar even de kleding die ik droeg in mijn late pubertijd. Ik had maar twee spijkerbroeken, van het merk Lee. Voor ‘boven’ had ik het mij zo eenvoudig mogelijk gemaakt: in de winterperiode de keuze uit een zwart of blauw T-shirt met lange mouwen, in de zomer een zwart of blauw T-shirt met korte mouwen. Meer kleren had ik niet en wilde ik niet.

Ik woonde bij mijn ouders thuis. Boven stond een wasmachine. Dat was geen reden om mijn kleding schoon te houden.

Hygiëne was vies.

Er diende zo natuurlijk mogelijk geleefd te worden. Dierlijk. Alles uit potjes en tubes was verderfelijke, commerciële rotzooi. Een keer per week in bad leek me ruim voldoende.

Vreemd genoeg had ik een schoolvriend die iedere dag schone kleren aantrok en altijd naar zeep rook. Stonk, vond ik. Die vriend was al achttien. Hij moest zich iedere dag scheren en had een auto. Bij mij groeide een paar haren uit mijn kin en ik reed nog op een fiets.

Ondanks de verschillen konden we goed met elkaar overweg. Hij nam me vaak mee naar een discotheek in de stad. Hij kon dansen, ik was goed in met mijn rug tegen de muur staan. In meisjes versieren stonden we na een avond meestal gelijk: 0-0.

Toch kreeg ik op een vrijdagavond verkering. Althans, dat zei een meisje in de discotheek: dat we iets hadden. Ik betwijfelde het. Het was meer een last dan een lust.

Vooral het eerste uurtje op haar kamer op de eerste verdieping in het huis van haar ouders verstreek maar langzaam. De ouders en het jongere zusje van het meisje lagen op de loer. Om de haverklap ging de kamerdeur open. Onder het mom van een lulpraatje of het inschenken van thee was er streng toezicht.

Het meisje liep aan het einde van de avond met me mee naar buiten. Mijn fiets stond tegen een lantaarnpaal. Een zoen bleef niet lang uit. We stonden dicht tegen elkaar. Heet was nog niet het goede woord. Benauwd, dát was het meer. Zweten uit ongemak, in mijn ongewassen T-shirt.

Ik hield mijn ogen open tijdens de zoen, zij had ze stijf dicht. Zij leek in een andere wereld beland, ik stond gewoon in een normale straat, onder het licht van een lantaarnpaal, en keek naar het zadel van mijn fiets.

De omhelzing was voorbij. Het meisje plukte aan mijn T-shirt. Ze trok een serieus gezicht. Er ging een belangrijke zin uit haar mond rollen, zag ik.

„Gebruik je geen deodorant?”

Een klap in mijn gezicht. Ik wilde weg van de plek des onheils. Hard trappen op de fiets. Waanbeelden van onafzienbare rijen flesjes deodorantrollers die als soldaten met gepoetste helmen in een dubbele rij stonden opgesteld terwijl ik, in mijn van zweet druipende shirt, door de haag reed.

Het was niets en het werd niets met dat meisje. Waarom nam ze me niet zoals ik was, een slungel met een dierlijke geur, een man van de natuur?

Toch had ze een gevoelige snaar geraakt. Zo’n vernedering wenste ik niet meer mee te maken. Ik ging naar de drogist. De volgende ochtend pakte ik mijn goedkope deorollertje van Fa (‘de wilde frisheid van limoenen’) van het plankje in de badkamer.

Zoals iedere adolescent wel eens doet, stopte ik voor het uitgaan mijn neus in mijn schone T-shirt, ter hoogte van de oksel.

Het rook verdacht veel naar volwassenheid.

Wilfried de Jong