De provincie: mengeling van trots en achtergesteldheid

Het platteland wordt steeds vaker opgeslokt door stank, lawaai en lelijkheid. Toch blijft het daar goed wonen. Al wordt dat tijdens de provinciale verkiezingen wel eens vergeten, meent Marjoleine de Vos.

‘Ik ben maar een provinciaaltje.” Dat is dan niet zo best. Het moet zelfspot verbeelden, maar er klinkt toch iets van nederigheid in door ten opzichte van de grotestadsbewoners die zo veel wereldwijzer zijn. Alles met ‘provincie’ klinkt een beetje zo. Een beetje sneu, een beetje achterlijk. ‘Provinciehoofdstad’. ‘Provincieplaatsje’. ‘Provinciale verkiezingen’.

De Haagse politiek beschouwt de provinciale verkiezingen als niet bestaand, dat wil zeggen: men reageert uitsluitend op het woord verkiezingen, niet op het woord provinciaal. Uiteindelijk worden er Eerste Kamerleden gekozen en dat is het enige wat ertoe doet.

Wegen. Windmolens. Bibliotheken. Bedrijventerreinen. Openbaar vervoer. Allemaal dingen die de bewoners van de provincies raken in hun dagelijks bestaan, maar waarover niet gediscussieerd hoeft te worden. Dat laat men stilzwijgend over aan de provinciale besturen die zich vaak niet erg populair maken met hun tekentafelbesluiten en hun camouflagehut van regelgeving. Denk aan de CDA-roverhoofdman uit Zuid-Holland, die vorige week in deze krant zei dat de ongelukkige bewoners die vlak naast door de provincie geplande windmolens komen te wonen, echt niet hoeven te verwachten dat er naar hun zorgen wordt geluisterd. „Als we overal rekening zouden moeten houden met het draagvlak ter plaatse, dan halen we doelstellingen voor duurzame energie niet.”

So much voor het zogenaamd zo veel dichter bij de bewoner staande provinciebestuur.

Intussen bestáát de provincie wel. Hoorde laatst het programma Mangiare op de radio, waarin Limburgers aan het woord kwamen over hun streekgerechten – nou die lieten er geen twijfel over bestaan dat Limburg iets heel anders is dan Noord-Holland. Ze voelden zich Limburgs, ze spraken Limburgs, ze aten Limburgs: zuurvlees (‘zoervleisj’) en vlaai, ze bakten bloedworst en praatten daarover alsof dat amper ergens anders gedaan werd (en dan kon het onmogelijk zo lekker zijn als bij hen), ze klonken geheel en al authentiek. Dat wat we in andere landen zo leuk vinden, mensen die zich verbonden voelen met een streek – de typische Toscaan, de Bourgondiër, de Beier – dat bestaat bij ons ook. Je moet er alleen wel de Randstad voor uit.

Waar is iemand thuis? Niet in een ambtelijke indeling maar in zijn streek, dorp, straat. Waar het er in een grote stad niet zo toe lijkt te doen waar die stad precies ligt, in welke provincie, daar slaat het provinciegevoel buiten de stad direct toe. Bewoners van de provincies die ooit de Verenigde Nederlanden uitmaakten, voelen zich dikwijls ook in de gunstigste zin een provinciaal.

Het is merkwaardig om te merken hoe voor de provinciaal de naam van de provincie een bijna zoete klank krijgt. Groningen! Nergens is het zo heerlijk als bij ons. Iedereen die je tegenkomt weet je met trots te vertellen dat er hier zo veel ruimte is, dat hij of zij nooit ergens anders zou willen wonen en dat ze slechts met huiver aan de grote stad kunnen denken. Al die drukte!

Een mengeling van trots en achtergesteldheid maakt zich meester van de provincie-inwoner. Ze moeten ons altijd hebben, monkelen ze zowel in Limburg als in Groningen, wij bestaan niet voor die Hollanders. Tegelijkertijd kijken ze neer op diezelfde Hollanders. Misschien van de weeromstuit. De westerlingen moeten zich niets verbeelden.

Dat doen ze wel natuurlijk, de Hollander, en dan vooral de randstedeling, verbeeldt zich van alles, en voornamelijk dat hij of zij heel wat meer zicht heeft op wat leven betekent dan die ongevormde types uit het achterland. Daar wonen „simpele mensen met van die klassieke Drentse koppen, maar met uitdrukkingsloze ogen,” zei schrijfster Yvonne Kroonenberg vorig jaar in een interview. „Als taal niet je eerste vervoermiddel is om je te uiten, omdat het je gewoon niet gegeven is om een zinnetje te zeggen, dan beweeg je je op een heel andere manier door de wereld dan wij.”

Ook Maarten van Rossem was zich in Drenthe doodgeschrokken van wat hij had gezien. In het televisieprogramma De Slimste Mens zou hij gezegd hebben: „Kromgebogen boeren met puistige gezichten en manke ezels. Het lijkt alsof je Siberië bent binnengereden.”

Vanuit die optiek gezien is het geen punt om in een dorpje met 140 inwoners 1000 asielzoekers te willen onderbrengen, of om de boerenpummels te negeren die klagen dat hun internet zelfs te traag is voor een spelletje Lingo. Om de schouders op te halen over de eeuwenoude kerken en karakteristieke dorpswoningen die nu ineenstorten ergens daar in het noorden – bwah. Daar wonen immers geen ménsen.

En intussen, dat is ook zo typerend, legt iedereen in de stad een moestuintje aan op zijn platte dak waar boertje en boerinnetje gespeeld wordt met klompjes en gietertjes. De stadsbewoners eisen blije varkens en scharrelende kippen en zijn vervolgens verbaasd om te zien dat kippen schuw zijn om door een weiland te lopen en liever binnen blijven. Kippen zijn geen weidevogels. Ze zijn, terecht, beducht voor wat zich vanuit de lucht op hun kwetsbare nekjes kan storten.

Het rare is dat je als import-provinciaal na een poosje zelf ook laatdunkend gaat doen over de Hollanders, waarmee vooral bedoeld wordt de Haagse politiek en verder bijna alle randstedelingen. En dat je je tegelijkertijd een beetje achtergesteld voelt en misschien wel een beetje achtergebléven. Terwijl dat flauwekul is. Provinciebewoners zien er geen been in om in de auto te stappen en in Amsterdam naar de opera of in Den Haag naar een tentoonstelling te gaan, ’s avonds gewoon weer terug. De bekrompenheid ligt eerder bij de randstedeling die met huiver spreekt over ‘het hoge noorden’ zodra hij dreigt Zwolle te moeten passeren, en die daar uitsluitend heen kan als er logies geregeld worden, want het is onnoemelijk ver.

Hè, nu doe ik het weer. Ik bedoelde juist te zeggen: ook in de provincie wonen mensen en die voelen zich wel degelijk verbonden met wat er verder in Nederland gebeurt. Maar natuurlijk ook met wat er bij hen gebeurt.

En bij hen gebeurt nogal veel. Dan praten we maar even niet over de gasproblematiek die het leven van veel Groningers vergalt. Het platteland verandert steeds meer in een industriële ruimte, met boerenbedrijven die echt niets meer te maken hebben met wat ons vanaf de melkverpakkingen tegemoet lacht aan koetjes, schaapjes, kipjes en boertjes. De intensieve veehouderij is gewoon industrie. Hoog technologisch (wat soms een opwindend wonder is om te zien), gehuisvest op enorme terreinen met grote loodsen en silo’s, reusachtige machines, stank- en lawaaioverlast voor omwonenden. Menige boerderij zou totaal niet misstaan op een industrieterrein.

De provincies zijn een ideale locatie om van alles te dumpen: CO2-opslag, bedrijven, varkensstallen, kolencentrales, windmolenparken, industriële complexen. Dat wordt vaak verkocht met milieupraatjes – ‘biovergasser’ ‘energietransitie’ ‘schone stroom’ – en anders met economische motieven – ‘Nederland belangrijke vleesexporteur’, ‘internationale speler’, ‘kenniseconomie’ – maar het gaat gepaard met stank, lawaai, lelijkheid en onverschilligheid jegens de mensen die zo stom zijn geweest om buiten een grote stad te gaan wonen.

Daartegenover wordt dan steeds ‘natuur’ ter compensatie aan geboden, maar natuur slaat in een agrarische provincie, en dat zijn de meeste, nergens op: een stukje goede landbouwgrond waar je ineens niet meer mag komen omdat het ‘teruggegeven’ is aan iets dat ‘de natuur’ heet. Maak het platteland liever gewoon wat mooier, niet nóg een industrieterrein maar betere benutting van de bestaande en dan elders bloeiende bermen, wandelpaden, weilanden met klaver en zuring erin in plaats van het dooie raaigras.

Inwoners van de provincie, Zeeland bijvoorbeeld, krijgen doodleuk te horen dat het niet langer dan drie kwartier ‘mag’ duren voor er spoedeisende hulp geboden kan worden (drie kwartier! spoedeisend!) en in de praktijk is er in heel Zeeland nog één post waar spoedeisende hulp geboden wordt. In Goes. Voor de hele provincie.

Maar daar schijnen provinciale bestuurders dan weer niet over te gaan. Dat is een ruzietje tussen de minister en de zorgverzekeraars over wie er betaalt. Dat is wel duidelijk, dat zijn de Zeeuwen, met hun gezondheid, zo niet hun leven.

Het provinciebestuur zou ons, provinciebewoners, moeten beschermen tegen lawaai, lelijkheid en verschraling van de voorzieningen – niet door tégen alles te zijn uiteraard, maar door ook oog te hebben voor immateriële belangen zoals daar zijn het geluk van rust en stilte, het geluk van ruimte en weidsheid, van goede busverbindingen, van scholen en ziekenhuizen in de buurt, van bloeiende meidoorns langs de sloten – die as we speak in Groningen allemaal omgezaagd worden door het waterschap, nog zo’n stelletje lui op wie je moet stemmen zonder dat je enig idee hebt wat ze voor politieks doen of hoe ze te controleren.

Anderzijds zijn er dagen dat je, wonend in een provincie, wel kan jubelen van vreugde om het licht, om het geluid van een kerkklok over het land, om oude en aanstellerige eiken (eiken kunnen zo overdreven romantisch doen met hun takken), om de eerste stijfpotige lammetjes of het geroep van talloze water- en weidevogels in uiterwaarden of polders. Ganzen die gakkend overkomen in de koudblauwe lucht en je hoort op de grond het geruis van hun vleugels. Een maanlichte nacht, zo licht dat je over een onverlichte plattelandsweg (en die is écht donker) kunt fietsen zonder je fietslamp aan te doen. Tuinen bij grote rentenierswoningen waarin duizenden sneeuwklokjes staan.

Provincie is heus niet alleen platteland, de Malevitsj-tentoonstelling in Assen hoort ook bij de provincie, net als het feestelijke centrum van Zutphen met zijn mooie kerk en zijn elegante herenhuizen. Ik hoef hier echt niet de lof te gaan zingen van provincieplaatsen waar goede boekhandels zijn (nog wel) en waar je tegelijkertijd zonder veel moeite de stad uit bent om dan het landschap te zien waarmee je je vertrouwd voelt.

Voor een Amsterdammer of een Hagenaar kunnen provinciale verkiezingen makkelijk nergens over gaan, hooguit in de verte over de Eerste Kamer; voor een plattelandsbewoner in een van die plaatsjes waar de tijd zou stilstaan (stónd-ie maar eens stil) geldt dat niet. Die woont straks ineens in het geraas van een windmolen of een grote weg, die kan zijn werk moeilijker bereiken omdat het openbaar vervoer niet meer rendabel wordt geacht of ziet zijn uitzicht en zijn nachtdonker verpest door een kolencentrale die verkocht wordt als ‘werkgelegenheid’ maar waarin amper iemand iets te doen heeft. Zulke bewoners zouden wel graag politici kiezen die niet doodleuk zeggen dat ‘draagvlak’ voor hen geen overweging is, omdat ze zich willen profileren als doortastende bestuurders en niet als hoeders van welbehagen. Niemand woont in regels of in een voornemen voor meer bedrijvigheid of in een enorme bestuurlijke eenheid van straks drie van de huidige provincies. Mensen wonen op een plek waaraan ze zich hechten, en op het platteland is zo’n plek veel makkelijker te verpesten.

De provincie is een heerlijke plek om in thuis te zijn. Dat de randstedelingen dat niet weten, maakt het nu juist zo prettig. Maar soms, bij verkiezingen, is dat een nadeel.