De lange weg terug naar school

Elk jaar komen honderden Amsterdamse middelbare-schoolkinderen in de problemen. Ze spijbelen, worden geschorst, gearresteerd, ze haken af. Een dag bij School2Care – het diepste vangnet, met ijzeren regels. „In ruil worden ze echt gezien.”

Tekst Bas Blokker Foto’s Olivier Middendorp

In de klas bij School2Care, een tijdelijke school voor uitgevallen middelbare scholieren. Ze komen er gemiddeld negen maanden, van acht uur ’s ochtends tot acht uur ’s avonds.

Willem Nije zet krulletje na krulletje achter de namen van de kinderen die binnenkomen. Het meisje met de winterjas. De jongen met het boze gezicht. De jongen met zijn oortjes in. De vrolijke springer. Het meisje dat vandaag voor het laatst is. Het meisje in haar camouflagebroek. Het meisje dat zwijgend op de bank gaat zitten met haar jas aan, capuchon over haar hoofd.

De telefoon gaat. „Willem Nije, School2Care, goedemorgen. (…) Okee, ik ga het noteren. (…) Ja, misschien redt hij het nog wel.”

Hij loopt naar de bank. „Wil je een lekker ontbijtje”, vraagt hij aan het meisje onder de capuchon. „Nee, ik heb geen honger.”

Weer de telefoon. „Willem Nije. (…) U heeft zich verslapen. Dus uw zoon komt wat later.”

Hij telt de krulletjes. Twaalf. Van de veertig. „Als er vanochtend 25 komen, is het veel.” Door de dag heen blijven leerlingen binnenkomen. Vanaf negen uur ’s ochtends belt de leerplichtassistent met de ouders van afwezigen.

Telefoon. „Gaat het lukken met uw zoon vandaag? (…) Aangehouden?”

In het schoolgebouw in Amsterdam Nieuw-West begint elke dag om acht uur met een ontbijt, het jaar telt hier twee vakantieweken. Veertig kinderen staan ingeschreven bij School2Care – „de zwaarste vorm van zorg en onderwijs in Amsterdam”, zegt directeur Janet Schut. Het alternatief is meteen een slag zwaarder: jeugdgevangenis of gesloten inrichting.

Een leerling kan tijdelijk van zijn gewone school worden gestuurd naar een stopplaats (gemiddeld 3 maanden), naar een transferium (een half jaar) of naar School2Care, een zogenoemde acht-tot-acht voorziening: kinderen slapen thuis, maar zijn de eerste drie maanden overdag twaalf uur lang op school. Wrap-around care noemen ze dat, zorg die verder gaat dan de les, verder ook dan het schoolgebouw. De docenten komen ook bij de kinderen thuis. De leerlingen koken samen, eten samen, leven samen in de twaalf uur dat ze op school zijn. Gemiddeld blijft een leerling acht maanden.

Ze vinden het zwaar. Aan het eind van de dag, bij de avondboterham zal de vrolijke springer zeggen dat dit de beste school van de wereld zou zijn, „als je om kwart over drie naar huis mocht”.

De regels zijn van ijzer. Overtreding ervan heeft consequenties. En de kinderen gedijen bij de rust van die duidelijkheid. Niet dat ze het smeken en onderhandelen helemaal laten. Zo waren ze het op hun vorige scholen gewend – met leerkrachten die van het gezeur af wilden zijn en dan maar een oogje dichtknepen. Maar hier leggen ze zich bij het onvermijdelijke neer.

„In ruil”, zegt Schut, „worden ze echt gezien. En als ze bij ons een papiertje halen, krijgen ze weer toegang tot het reguliere onderwijs.” Dat wil wat zeggen: „Er is wel eens een jongen geweest wiens negende school wij waren.”

Aan het ontbijt wenst supervisor Richard Borst iedereen een „onwijs goeie morgen”. „Hee, Ethiopië is er niet”, zegt de vrolijke springer. „Boeien”, zegt een klasgenoot. „Ik heb nooit zin in hem.”

Geen bijzonderheden gisteravond, zegt Borst even later bij de bespreking voor de medewerkers. Een van de begeleiders heeft een lang gesprek gehad met een van de kinderen. „Hij wordt gepest. De anderen noemen hem Ethiopië. Dat vindt hij niet leuk, hij komt niet uit Ethiopië.”

Een derde van de leerlingen op School2Care is van oer-Nederlandse komaf. De Eritreeër is er nog maar een paar weken en doet vooral stoer uit angst dat de anderen over hem heen lopen. Begeleider Anne van Assema vertelt zijn collega’s het nieuws: de niet-Ethiopiër is degene die zojuist is opgepakt. Iedereen zwijgt. „Van zijn bed gelicht.” Richard Borst: „Dan is het niet voor een diefstalletje.” Hij zal vanmiddag diens moeder bezoeken.

De les van meester Aziz Ouaouirist

Zeven kinderen zitten klaar voor de les nieuwsbegrip van Aziz Ouaouirist. Het gaat over de spanning tussen Rusland en Oekraïne. Het meisje met de capuchon vraagt: „Wilt u me vandaag een cijfer geven, dan krijg ik geld van mijn ouders.”

Ze zien een filmpje van het Jeugdjournaal, met kinderen van Nederlanders in Oekraïne die vertellen dat ze via Facebook in contact staan met leeftijdgenoten in Nederland en via Twitter volgen wat op straat gebeurt. „Kaulo Twitter, ik haat dat”, zegt een meisje.

De straattaal (‘kaulo’, letterlijk ‘poepgat’, betekent zoveel als ‘rot’ of ‘heel erg’), het stoere gedrag dat erbij hoort, het zijn allemaal tekenen van een gebrek aan zelfvertrouwen, zegt Janet Schut. „Ze conformeren zich aan de straatcultuur voor houvast. Wij laten ze kennis maken met meer keuzemogelijkheden. Zo ontdekken ze nieuwe talenten bij zichzelf.”

Kern van de aanpak van School2Care is de combinatie van streng en positief, zegt de Leidse lector residentiële jeugdzorg, Peer van der Helm, die deze benadering vergeleek met die van andere opvanginstellingen. „Het positieve klimaat draagt bij aan de motivatie van scholieren, hun leerprestaties en ze ontwikkelen een beheersingsmechanisme. Dat is belangrijk voor kinderen die thuis en op straat vrijwel permanent in de ‘overlevingsstand’ staan. Je ziet door deze aanpak agressie, pesterij en crimineel gedrag afnemen.”

De kinderen in de klas van Ouaouirist lezen een tekst over het conflict en de leraar vraagt of ze alle woorden begrijpen. Een meisje heeft haar duim in haar mond. „Wat is vanoutzer”, vraagt een ander. „Vanoutzer? Waar zie je dat”, vraagt Ouaouirist. Ze wijst naar ‘van oudsher’.

En wat betekent ‘onafhankelijkheid’? „Dat je zelf mag bepalen wat je doet”, zegt een jongen. „Wat doe jij”, vraagt het duimende meisje. Vmbo-t, zegt de jongen. „Jij bent tantoe slim.”

De leerlingen zijn tussen de 13 en de 17 jaar. Sommige houden hun jas aan, andere niet. Sommige luisteren, andere kletsen Het is net een gewone klas, met verantwoorde posters aan de muur (‘Denken aan de ander’). Maar de tantoe-slimme jongen zit hier omdat hij op zijn zmok-school een brandje had gesticht. En in de docentenkamer hangt achter de naam van de duimzuigster een briefje: ‘Mag alleen door opa worden opgehaald’.

Capuchonmeisje trekt haar mouw omhoog en laat een klasgenoot de lange, rode strepen op haar onderarm zien. Op haar T-shirt staat ‘I don’t know why I did it, but I did it’.

De duimzuigster legt haar hoofd op tafel. „Mag ik iets voor mezelf doen”, vraagt ze aan het eind van de les. „Heb je een leesboek”, vraagt Ouaouirist. „Ik wil even op mijn telefoon”, zegt ze. „Dat mag niet, dat weet je.” „Heeft u dan een kleurplaat?” Ze haalt er eentje uit de kast. De slimme jongen staat op. „Mag ik ook een kleurplaat?”

De les van juf Esmé van der Ley

De Surinaamse jongen slaapt, daar lijkt het tenminste op. Af en toe rekt hij zich uit. Soms neuriet hij. Meestal blijven zijn ogen dicht. Esmé van der Ley heeft boodschappen gedaan voor de wiskundeles. Ze gaan het gewicht van al die pakken en flessen schatten en ze dan wegen. Zo „vertalen we meetkunde naar de werkelijkheid”.

Later zal coach Van der Ley zeggen dat het vroeg voor is voor de Surinamer. De meeste kinderen hier gaan later naar bed dan de meeste volwassenen. De school heeft handenvol werk aan het normaliseren van hun dag/nachtritme.

De les van meester Richard Borst

Richard Borst toont een serie getekende plaatjes. Eerst van een vaag kijkende jongen. „Hij is stoned”, zegt een nerveuze jongen. „Hij is homo”, zegt een stoere. De zenuwpees laat zijn tafel op twee poten balanceren en trekt de stoelen naast hem tot onder zijn oksels.

Dit is een TOPs-les, een opvoedingsmethode waarin ‘denkfouten’ centraal staan. Door de hele school hangen TOPs-posters met goede raad als ‘vertrouwen in een goede afloop’, ‘anderen met rust laten’, ‘jezelf zijn’.

Een tweede plaatje, andere jongen. Hoe vinden jullie dat hij eruit ziet, vraagt Richard Borst. „Als een neger”, zegt een wijsneus. Dat ook, maar Borst bedoelde: in wat voor stemming lijkt hij te verkeren? „Bezorgd.” „Somber.” „Verdrietig.” „Hij is homo”, zegt de stoere weer. „Kill”, zegt de zenuwpees, het stopwoordje waarmee jongens elkaar allemaal aanspreken, „Kill, waarom denk je de hele tijd aan homo’s?” Hij staat ineens op en schuift zijn tafel luidruchtig een meter opzij.

De wijsneus zegt: „Hij is denk ik in een negatieve spiraal gekomen.” Ooow, zegt de zenuwpees: „Dure woordjes.”

Wie heeft zich wel eens depressief gevoeld, vraagt Borst. Alle vingers gaan omhoog. Borst zegt dat het niet uitmaakt of je op het oog succesvol bent, als je je van binnen ellendig voelt. De wijsneus steekt zijn vinger op: „Toch denk ik dat arme mensen eerder depressief zijn dan rijke.”

Moes zegt dat je het van twee kanten kunt bekijken. „Socrates aan het woord”, zegt de wijsneus, die graag laat merken dat hij op het gymnasium is begonnen en nog altijd op de havo zit.

Gymmen met coach Rogier Toes

Na de avondboterham mogen de kinderen met een basketbal ‘bowlen’ in de gymzaal. Coach Rogier Toes heeft zijn schoenen al uitgetrokken om mee te doen als hij wordt geroepen. Twee jongens zijn van het schoolplein af gegaan. Ze staan in de kleedkamer. De Surinaamse slaper uit de wiskundeles onaangedaan, de tantoe slimme jongen benauwd. „We stonden alleen om het hoekje”, smeekt hij Toes. „Het was de eerste keer, meester. Zeg het alsjeblieft niet tegen mijn coach.” Toes schudt zijn hoofd. „Sorry, je weet wat de regels zijn.”

Tien minuten lang zit de jongen verslagen op de gymnastiekbank. Dan stapt hij het veld op om mee te doen.

Uit het onderzoek van Peer van der Helm blijkt dat leerlingen van Scool2Care hun school positiever waarderen dan kinderen met vergelijkbare achtergrond en problemen in andere instellingen. Dat komt volgens Van der Helm vooral door de positieve houding van waaruit de coaches de leerlingen benaderen – ook als ze grenzen stellen. „Regels zorgen voor veiligheid, waardoor de kinderen uit hun overlevingsstand raken.”

Als iedereen weg is, blazen Rogier Toes en orthopedagoog Eva van den Berg uit aan de eettafel. Het was een goede dag, vinden ze, lichte sfeer. Van den Berg zag het duimzuigmeisje instappen in de auto van haar moeder. „Dat ze niet even uitstapt om ons te zeggen waarom zíj haar komt halen en niet opa.”

Als het om dit meisje gaat, zijn ze altijd bang voor loverboys. Ze vrezen voor ‘de straat’ bij de vrolijke springer. De tengere jongen, die net aan tafel een tosti met kaas en chocopasta maakte en erbij zei dat in de krant moet komen dat er iemand op de wereld is die van zulke tosti’s houdt, heeft alle denkbare drugs gebruikt.

De gespierde Surinaamse slaper is een softdrugsdealertje – niemand die achter dat woord ‘geweest’ durft te zeggen, daarvoor staat hij nog veel te vaak te smoezen op de straathoeken. Zestien jaar is-ie, hij werd aangehouden toen hij met 130 kilometer per uur in een ‘geleende’ auto over de snelweg scheurde. Maar hij is ook de jongen wiens moeder complimenten kreeg van de kinderrechter („Wat hebt u een leuke zoon”). En hij is een goeie broer voor zijn broertje, zegt Janet Schut.

Een heleboel kinderen zijn op hun oude school in de problemen geraakt doordat leraren conflictmijdend zijn, zegt Toes. „Het lijkt aardig, maar het is per saldo ongeïnteresseerd.” Op School2Care zijn ook wel eens vechtpartijtjes, maar dat vindt hij niet per se slecht. „Een conflict geeft mij ook informatie. Die kan ik weer gebruiken.”

Morgenochtend om acht uur verder. Eva van den Berg kijkt op haar telefoon. Ze gaat toch even de moeder van de duimzuigster bellen, zegt ze.