Conducteur geslagen: wegkijken of helpen?

Conducteurs worden uitgescholden, geslagen, bespuugd. Waarom helpen passagiers vaak niet?

Daar zit je dan. In de trein. Starend naar je telefoon, koptelefoon op. Even verderop zie je een medereiziger in discussie gaan met de conducteur: hij rijdt zwart en krijgt een boete. Scheldend en handgebarend maakt hij duidelijk dat hij het er niet mee eens is. En hij geeft de conducteur een klap.

Je kijkt om je heen. Iemand filmt het voorval, maar niemand schiet de conducteur te hulp. Je denkt: Moet ik wat doen? Neeh, niet mijn probleem, de rest doet ook niks en straks krijg ik ook een klap.

Jaarlijks krijgen 774 NS-medewerkers te maken met geweld, volgens NS. Vrijdag nog maakte NS bekend dat een 50-jarige man is aangehouden die een NS-medewerker op zijn kaak had geslagen. Op station Beilen bedreigde een 28-jarige man een conducteur.

Na de zware mishandeling van een conductrice, anderhalve week geleden, is ook de politiek zich ermee gaan bemoeien. Er komen maatregelen: extra camera’s, extra agenten, dichte poortjes. Maar de conducteurs willen méér.

Het begon met een oproep op een Facebookpagina, waarin een conducteur forenzen vroeg zich normaal te gedragen. Ook conducteurs zijn gewoon mensen die niet van vertraging houden, staat erin. En: naast je normaal gedragen, kun je méér doen als iemand een conducteur lastigvalt.

Met nadruk ‘kún je’, want het gebeurt vaak niet. Als een conducteur wordt lastiggevallen, bij een scheldpartij op straat, een handgemeen in een winkel; meestal grijpt niemand in.

Dat verschijnsel heet het ‘bystander effect’. „In het kort betekent dat: omdat er veel omstanders zijn, doet niemand iets”, zegt Paul van Lange, hoogleraar sociale psychologie aan de Vrij Universiteit Amsterdam. Volgens hem zijn er meerdere oorzaken voor dit passieve gedrag:

Spreiding van de verantwoordelijkheid. Hoe meer mensen aanwezig zijn bij een incident, hoe minder verantwoordelijk zij zich voelen. Iemand anders kan toch helpen? En als het misgaat, hoef je je ook niet schuldig te voelen. Want: die ander deed ook niks.

Sociale invloed. Als er veel omstanders zijn, kijkt iedereen naar elkaar. Wat doen zij? Het gedrag van die anderen bepaalt je eigen gedrag. Helpt niemand de persoon die hulp nodig heeft? Dan is de kans groter dat jij ook niks doet.

Publieke inhibitie. Ofwel: niet willen afgaan. Mensen willen voor het oog van de massa niet voor schut staan door in actie te komen terwijl dat misschien helemaal niet nodig is. Bij dat gevoel hoort ook dat je bang bent voor kritiek als je helpt en het vervolgens toch niet goed afloopt. Of je denkt dat een van de anderen beter in staat is hulp te bieden dan jij.

Drie mogelijke oorzaken en alle drie komen ze erop neer dat hoe drukker het is, hoe minder mensen geneigd zijn te hulp te schieten. Er zijn studies die aantonen dat als er maar één omstander is, de kans op hulp van deze persoon op ongeveer 75 procent ligt. Bij elke extra omstander daalt de waarschijnlijkheid dat iemand te hulp schiet.

Maar, zegt Van Lange: „Er zijn wel degelijk mensen die helpen.” En die mensen helpen dan vaak ook heel snel. „Dat komt doordat dit mensen zijn die er niet over nadenken. Dan handel je sneller.” Dat is wat ingrijpers zelf ook aangeven. Deze mensen worden gedreven door emotie. „Door empathie en boosheid. Zij staan niet stil bij de mogelijke risico’s.” Zij zijn de uitzonderingen.

Van Lange vindt het te gemakkelijk om te zeggen: doe zelf eens wat. Maar er is wel degelijk meer mogelijk, zegt hij, vooral als mensen samen optrekken. „Kijk elkaar als omstanders aan. Oogcontact is heel belangrijk.”

Mensen duiken namelijk in hun krantje of hun telefoon om maar niet aangekeken te worden of verantwoordelijkheid te voelen. „Door elkaar aan te kijken, kun je een actie coördineren tegen de onruststoker.” En daarmee de conducteur helpen, als je het alleen niet aandurft.

Ook het slachtoffer kan op dat moment iets doen – „hoewel die waarschijnlijk bezig is met andere dingen”. Van Lange: „Als het slachtoffer probeert één iemand aan te spreken en om hulp te vragen, verschaft dat duidelijkheid over de situatie.” Dan is de kans groter dat er ingegrepen wordt.

Nog een belangrijk wapen, volgens Van Lange: de telefoon. „Als je niet durft in te grijpen: bel de politie.” En hoewel het filmen van een conducteur die in elkaar geslagen wordt, geen oplossing is, heeft het wel een functie. „Niemand houdt ervan om in zo’n situatie gefilmd te worden.” De dader zal zijn gedrag eerder aanpassen als hij gefilmd wordt. „En anders dient het wel als bewijs.”

Daarom zijn extra camera’s die opgehangen worden op stations belangrijk. „Als je weet dat je gefilmd wordt, denk je wel twee keer na voordat je je misdraagt.” Uit onderzoek van Van Lange blijkt bovendien dat omstanders in aanwezigheid van camera’s sneller ingrijpen.

Zodra de conducteur geholpen is, door jou of iemand anders, bied dan een luisterend oor. Want, zegt Van Lange, als iemand slachtoffer is geworden van geweld, kijken de meeste mensen nogmaals weg. Het voelt voor die persoon dan alsof hij voor een tweede keer slachtoffer is. „Vraag hoe het gaat. Dat kan jaren therapie schelen.”

De laatste tip is misschien een simpele, maar wel een belangrijke: „Neem eens het initiatief, help iemand in nood. Je voelt je daarna heel goed. Je hebt iets gedaan waar je trots op kunt zijn.”