Berichten uit het vagevuur

Kunst tussen hemel en hel. Koningin Lear. A Pigeon Sat on a Branch. Sandro Setola. Bill Viola.

Het probleem van het vagevuur is dat je daar niet dood bent, maar een schim van wie je was. Navertellen kan niemand het. Of toch? Er moet een patrijspoortje zijn, want de kunsten doen verslag. Kijk naar Koningin Lear, het stuk dat Tom Lanoye ontfutselde aan Shakespeares King Lear: hij verving de bejaarde middeleeuwse koning door een hedendaagse oudere vrouw aan het hoofd van een wereldwijd familiebedrijf.

Machtige vrouwen houden zich in, maar deze Betty Lear huilt. Eén keer. Kort en plotseling. Niet na een gedegen dramatische opbouw maar out of the blue, op driekwart van de eerste scène. Het is een meesterzet. Alles wat volgt, wordt in die kleine snikpartij geboren. Daardoor besef ik niet alleen dat de almachtige Betty Lear, bloeddrukverhogend gespeeld door Frieda Pittoors, de controle verliest. Ik weet ook dat zij zich dat realiseert. Haar geest is aan het zwalken geslagen en al heel snel weet ze zelfs dat niet meer.

De wereld laten kantelen, daar is de toneelkunst goed in. Op het podium maakt realisme weinig kans, alles is daar overduidelijk ‘niet echt’. Maar juist daardoor gedijen grote gevoelens er als de beste.

In Koningin Lear doolt Betty Lear door een schemerwereld. Alle houvast raakt ze kwijt, ook de tijd bestaat niet meer. Dit is het vagevuur, en loutering kan ze vergeten. Ze zegt en doet vreemde dingen. Ze wekt ergernis en wanhoop. In de zaal zitten we te lachen. En dan zien we eindelijk hoe dapper ze is. Tijd voor natte ogen.

Ik gniffel ook weer bij de film A Pigeon Sat on a Branch Reflecting on Existence waarmee ook de Zweed Roy Andersson ons een kijkje gunt in het vagevuur. Daar brand je niet, je suddert er tot je een ons weegt. De oudbakken mensenkinderen in zijn film waggelen zwaarlijvig, bleek als stopverf en lachwekkend door een wereld in verschoten kleuren. In een café hangt nog een herinnering aan het glorieuze vroeger, toen de manke barmeid borrels schonk in ruil voor de kus van sterke jonge mannen. Nu houdt de tijd halt, net als voor Betty Lear. Sterven zou verlossing brengen maar voorlopig lukt dat niet. Twee vreugdeloze handelsreizigers in feestartikelen kwijnen in hun smalle huurkamers, aan een smoezelige gang. Vuil en wreed is die gang. Och, die mannen. Er landt een brok in mijn keel.

In Heerlen zie ik, in cultuurcentrum Schunk, Oét d’r sjtub, ‘Uit het stof’, een expositie van vijf jonge kunstenaars uit de mijnstreek. Portretten met fel oogwit in zwartberoete gezichten. Video’s met modder en kiezel en machinestaal. Door het gebroken glas van een versleten deur kijk ik een gang in. Tientallen meters diep strekt hij zich uit, onder flakkerende plafonnières. Een fuik. Vuil en wreed, het is net de gang uit die film.

Deze gang heet Corridor en hij is een optische illusie, ontworpen en getimmerd door Sandro Setola. Loop eromheen en je ziet dat de afmetingen gezichtsbedrog zijn. Door een opening zie ik dat de muren schuin oplopen en dat de deuren deurtjes zijn. Ik steek mijn hand naar binnen, maak een foto van de wand. Daar hangt iets, maar wat staat daar op?

Een oog. Dit is de muil van het vagevuur: een lange gang met een alziend oog dat je ziet lijden maar zich van jou niks aantrekt.

Ik bel Setola op. Anderssons film kent hij niet, hij wilde deze zinsbegoocheling bouwen sinds hij in Rome de zuilengalerij van Borromini zag. „Die lijkt dertig meter diep, maar hij is maar negen meter”. Het is de echo van een ziekenhuisgang zegt hij, waar „simultaan gestorven en geboren” is. En dat oog? „Er zijn altijd mensen die om een hoekje willen kijken. Het oog betrapt ze.”

In de Nieuwe Kerk in Amsterdam verzink ik in twee metershoog geprojecteerde video’s van Bill Viola. Ik zag ze vaker, maar hier in de kerk vinden ze hun natuurlijke omgeving. Op de ene film staart een gestalte naar een oplaaiende vuurzee – het loeiende leven. Tot ze achterover valt. Plons. Gouden deining verdringt het vuur. In de andere video wordt een op een sokkel uitgestrekte gestalte met een opwaartse vloedgolf traag de hemel in gespoeld.

Leven en dood als natuurgeweld. Er is een begin en er is een einde. Dat is groots en dat is triest. Maar het verlost van de klem van het vagevuur. Bill Viola zegt dat kunst „a slap in the face’’ moet zijn. Die deelt hij uit. En uiteindelijk troost hij, altijd. Ik heb van hem nog nooit een video gezien die níet troostte.