Bach op wielen

De afgelopen dagen leek Max Verstappen in de media wel een kloon van Fred Teeven. Elke wimper die neerviel, was voor volk en vaderland, zoals de te laat gevilde staatssecretaris van zichzelf beweerde. Ergo: nog even en Max was op weg naar de aura van Máxima.

Op de radio hoorde ik iemand zeggen dat hij de Bach van de F1 is. Verstappen jr. zal wel een lieve jongen zijn, maar Bach? Aan de F1 is niets muzikaals. De enige die ooit als een chanson over het circuit zoefde, was de betreurde Ayrton Senna. Engel van het podium. Verstappen klinkt eerder als dorsgevaarte op het boerenland. Stug en genadeloos.

Wel nu nieuwe hype. Nog vóór de start van de eerste Grand Prix alreeds uitgeroepen tot poldericoon, nu dan op banden. Nieuwe volksheld, nieuwe uitlaatklep voor het in Ajax en Feyenoord van glorie en trots onthoofde volk. Parijs-Nice? Geen Nederlandse renner op de foto.

De plicht tot ontnuchtering roept. Lieve Nederlandse vrienden, Max Verstappen is een Belg, bij geboorte. Als zoon van een Belgische moeder zingt hij de zachte, Belgisch-Limburgse ‘g’ voor zich uit. De Nederlandse nationaliteit kan nog, maar hij zal altijd een aangespoelde Nederlander zijn. Zijn biotoop ligt in het nietige grensdorpje Maaseik waar zijn gescheiden moeder Sophie Kumpen in een half open huis woont en deeltijds werkt bij de sociale dienst van de gemeente. Ook geen teken van weelde, terwijl zij nochtans ook ooit een getalenteerde kartracer was.

De zeventienjarige Max is beschaafder dan zijn vader, althans hij heeft geen losse handjes als er vrouwen in de buurt zijn. Maar wie hij eigenlijk is, weet niemand. Zelf is hij nog te onbeholpen om identitaire gevoelens onder woorden te brengen. Alles wat niet aan het gaspedaal vorm wordt gegeven, eindigt in gestotter. Max is vooralsnog de meest radicale monnik van het F1-circus. Celibatair, uiteraard.

Steengoede racer, dat wel. Tegelijk beheerst en roekeloos, verliefd op chicanes, regencoureur ook. Kunstenaar in het passeren, zeggen kenners. Maar vooral monomane ambachtsman van techniek en conditie, immuun nog voor kokette franje en pitspoezen.

Arbeider.

Toch hoort hij tot de tien Formule 1-coureurs met de hoogste marketingwaarde. De jongste Formule 1-debutant heeft het in zich om uit te groeien tot een wereldster. Zowel in revenuen als in aanbidding. Eigenlijk was hij dat ook al als kartcoureur. Op kinderlijke leeftijd domineerde hij het kartcircuit met zijn wonderlijke zesde zintuig.

In de Formule 1 is gokken op jonge coureurs misdadig. Behalve als ze een superieur talent zijn, en dat is Verstappen. Zijn teambaas van Scuderia Toro Rosso raakt niet uitgepraat over de rookietesten van Max in Japan en Jerez. Hij mag dan pas zeventien zijn, er zit wel al tien jaar race-ervaring op het natuurtalent.

Zijn jeugd moet nog komen.

Talent is niet alles in de F1. De vraag zal zijn hoe competitief zijn bolide is. In deze sport is de mens ondergeschikt aan het mechaniekje. De Belgische F1-veteraan Jacky Ickx zei me ooit: „De versnellingsknop beroert de hand, niet omgekeerd.”

De jonge Max heeft alvast de ingetogenheid van een mechaniekje aangeleerd. Geen zweem van lyriek in zijn teksten, geen verbaal gezwollen zelfbeeld, eerder bedelend naar begrip en waardering. Anders gezegd: volle Belg, schroomvolle underdog.

Max in zijn racewagen: de foto hangt in het toilet van mama Sophie. Niet in de woonkamer. Sophie zal zondag thuis, in haar eentje voor de tv, naar de openingswedstrijd in Melbourne kijken. Met misschien na afloop een groet in het toilet. Haar zoon is gekoloniseerd door pa Jos.