Als hij iets mist, dan is het toch schaatsen

De tweevoudig winnaar van de Elfstedentocht bezocht vorige week nog de WK in Calgary. „En als er ijs ligt in Nederland, komen we direct.”

Evert van Benthem (rechts) als winnaar in 1985, met Jan Kooiman (links) en Jos Niesten, met wie hij nog steeds contact heeft. Foto’s Soenar Chamid, Spaarnestad Photo / Hollandse Hoogte en Rob Schoof.

Het ijs in de emmers naast de blokhut begint te smelten. Zo speel je op het Canadese platteland curling met vrienden: met bevroren plastic emmers op je eigen ijsbaantje. Vroeger schaatste Evert van Benthem hier met zijn drie zoons, op de kreek achter hun boerderij in Spruce View, een gehucht op anderhalf uur van Calgary. Maar het ijs is bedekt onder een dik pak sneeuw. „Als de kleinkinderen wat groter zijn ga ik toch weer een baantje maken”, zegt Van Benthem (56) aan de keukentafel. In de verte schitteren de besneeuwde toppen van de Rocky Mountains in de voorjaarszon.

Het schaatsen laat hem nooit meer los. Dertig jaar geleden werd hij op de Bonkevaart in Leeuwarden op slag een bekende Nederlander, toen hij de dertiende Elfstedentocht won, na zes uur en driekwartier schaatsen. En een jaar later de veertiende. Toen de tocht van 1985 vorige maand in Nederland integraal op televisie was werd Van Benthem nog uitgenodigd door één van de praatprogramma’s. Maar vier dagen op pad voor tien minuten televisie was hem iets te gortig. Want ook in Alberta draait de wereld door.

Hier wachten elke ochtend 150 koeien, goed voor vierduizend liter melk per dag. Om vijf uur gaat hij aan de slag, met zijn vrouw Jannette en zoon Rolf. Er is net genoeg tijd om wat oude Hollandse banden aan te halen bij de WK allround in Calgary vorige week – de Elfstedenwinnaar onder een cowboyhoed in oranje shirt.

Vijftien jaar geleden streken ze hier neer, in het onbegrensde Canadese land, zevenduizend kilometer van hun oude boerderij in de Kop van Overijssel. Vergeten is hij niet. „We hebben nog steeds campers met Nederlanders op het erf”, zegt Van Benthem. Leuk is het niet altijd. „Sommigen gaan hier zelfs picknicken totdat ik naar buiten kom voor de foto. Onze Jos werkte bij de benzinepomp even verderop. Kwamen er Nederlanders vragen waar de speedskater woonde. Dan zei Jos: moet je een klein stukje verder naar het westen. Stuurde hij ze naar de Rockies.”

Evert van Benthem was relatief onbekend toen hij op 21 februari 1985 de Elfstedentocht won, na die eindsprint met Jos Niesten, Jan Kooiman en Henri Ruitenberg. Van Benthem zat net een jaar bij de A-rijders, had nog nooit meer dan honderd kilometer geschaatst. „Veel mensen zeiden: die Van Benthem, typische kunstijsrijder.”

Hij ging altijd naar de marathons in een auto met Johan Wardenier, Appie Weijs en Jan Roelof Kruithof, een grootheid. „Ik zat als jong broekie achterin. Stelde ik Kruithof vragen over schaatsen in Finland. Draait ie zich om: Wou jij soms ook 200 kilometer ried’n? Zo van: dat kun jij niet. Vlak daarna won ik de Elfstedentocht. Maar geen kwaad woord over Jan Roelof. Hij was de eerste die mij feliciteerde.”

Shampooflesjes als bidon

Van Benthem had nog maar net een sponsor gevonden, Finnair. „Ik kreeg een tweedehands tas, een pak en een gebruikt trainingsjekkie. Dat was alles. We waren zo amateuristisch. Een dag voor de Elfstedentocht spoelden we flesjes babyshampoo om. Hadden we bidons.”

Nog steeds wil hij niet beweren dat hij de beste was, bescheiden als hij is. „Ik was geen favoriet, ik was al blij dat ik in die kopgroep zat. Ik keek tegen die anderen op.” Zijn vrouw Jannette grijpt in: „Evert haalt zichzelf altijd een beetje naar beneden. Maar zonder killersmentaliteit win je niet. Een jaar later won hij een 200 kilometer in Zevenhuizen. Vier dagen later je tweede Elfstedentocht. Daarna nog twee 200 kilometers in Finland. Vijf op een rij.”

Waarom juist hij zo goed was? Ach, zijn lijf was gemaakt voor 200 kilometer schaatsen. Klein, pezig, oersterk en behendig. Dronk niet en at niet onderweg. En hij viel nooit. Won die eerste keer zelfs met een kapotte schaats. En het hielp dat hij een loper was. „Alleen al die 1.500 meter bij de start, en al het klunen. Piet Kleine of Dries van Wijhe liepen nooit hard.”

Ze hebben nog altijd contact, de rijders. „Jos Niesten is één van mijn allerbeste vrienden, Jan Kooiman belt me nog op mijn verjaardag. Maar we hebben het niet meer over die tocht. Ik denk dat ze er wel vrede mee hebben dat ik won.” En vorige week kreeg hij nog een briefje van voorganger Reinier Paping, winnaar van ’63.

De gekte kende geen grenzen, na de finish in 1985. „Het was 22 jaar na de vorige Elfstedentocht, iedereen had televisie zitten kijken. Dus het was wel iets bijzonders.” Hij beleefde het als een film. „Allemaal ME om me heen, Evert ten Napel die me vastgreep. Binnen een minuut stond ik tegenover de koningin. Na de huldiging dachten we: zo, nu lekker naar de boerderij. Effe douchen en dan wat beelden kijken op televisie. Komen we bij Blokzijl, overal auto’s, politie. Rond onze boerderij zaten een paar duizend mensen, er werd gebarbecued, er waren zelfs mensen bínnen. Overal cameraploegen en journalisten. Je hebt niks meer te vertellen.”

Zelfs National Geographic kwam langs voor een verhaal. Maar na twee dagen ging hij zijn koeien weer melken. „Zo gauw je met je kop onder de stront zit heb je niet meer het gevoel dat je de Elfstedentocht hebt gewonnen. Ik wou weer verder.”

Een jaar later was hij voorbereid. „Het was minder hectisch. Voor mij was die tweede zege mooier. Solo aankomen met een minuut voorsprong. Ik was favoriet, maar ik kon de wedstrijd bepalen, vanaf Bolsward. Dat is voor een wedstrijdrijder het mooiste. Ook om te laten zien dat die vorige keer geen toeval was. Sommige mensen zeiden: die eerste won je maar net, jullie vieren waren even sterk.”

Na de Elfstedentocht van 1997, die hij als toerrijder reed, verhuisde het gezin naar Canada. „We wilden altijd al emigreren. Voor de ruimte, de natuur. In Sint Jansklooster hadden we arme grond, om ons heen zat Natuurmonumenten, we werden heel erg beperkt.”

Langs Highway 54 vonden ze een oude varkensboerderij met 200 hectare grasland. Nu staan er koeienstallen, geverfd in Hollands groen. Skipistes op anderhalf uur rijden, in Banff of Lake Louise. De bewoners van Spruce View weten dat ze een bekende schaatser in hun midden hebben. „Maar ze kunnen zich niets voorstellen bij de Elfstedentocht. Ze begrijpen ook niet dat je iets groots hebt gewonnen en dan gaat zitten boeren in Canada.”

Toch heeft hij ook hier fans. Vorig jaar zat hij voor de Canadese televisie naar de Spelen in Sotsji te kijken toen ineens zijn naam viel. „Toen de Nederlanders het zo goed deden zei Ron MacLean, de Canadese Mart Smeets, ineens: ‘Maar de beste langeafstandsschaatser woont vlak bij Red Deer in Alberta en hij heet Evert van Benthem.’ Ik viel bijna van mijn stoel.”

En drie jaar geleden werd hij bij het skiën aangesproken door een Canadees die voor zaken in Nederland was geweest toen de Elfstedentocht net was afgeblazen. Schaterend: „Begint die man mij helemaal uit te leggen hoe de Elfstedentocht werkt.”

Vijf jaar lang organiseerde hij een marathon op Sylvan Lake, even verderop. „Heel veel Nederlanders hier hielpen mee als vrijwilliger. We bouwden de brug van Bartlehiem na, we hadden snert, koek-en-zopie, vierduizend man publiek. Maar na één keer haalde de KNSB ons van de kalender. Wilden ze het in Tsjechië proberen.” Doodzonde, vindt hij nog steeds. Maar hij is niet iemand die om gunsten vraagt.

Toch blijft het schaatsen hem trekken. Drie jaar geleden zaten ze in de startblokken, toen een Elfstedentocht op komst leek. „De vliegtickets lagen klaar. De volgende keer gaan we niet meer zitten wachten. Zodra in Nederland ijs ligt, gaan we.”

Want als hij iets mist, in Canada, dan is het schaatsen op Nederlands natuurijs. „Absoluut. Ik moest vroeger altijd al als eerste op het ijs staan, ook al was het niet vertrouwd. Ik kon heel erg genieten van alleen schaatsen over de Beulaker, over die rietkragen. Soms reed ik met volle maan, ’s avonds laat. Het geluid van die slagen, het ijs. Schitterend. Dat is nostalgie, emotie. Die sfeer, daar denk ik nog veel aan.”

Dit jaar komt het er niet meer van. De ijspegels aan de blokhut langs de kreek smelten langzaam weg. De oud-schaatser neemt een glaasje Beerenburg, het vaste cadeau van bezoekers aan Spruce View. Hij is niet bang dat het klimaat voorgoed een streep zet door de Tocht der Tochten. „Hij komt echt wel weer, hoor. Dat is juist de magie van de Elfstedentocht: je weet nooit wanneer. Het is natuurlijk een idiote race: eerst hardlopen, in het donker rijden, klunen, stempelen. Dat moet je de Friezen nageven: ze zijn soms een beetje dwars, maar ze houden er wel aan vast. Die tradities maken hem zo mooi.”