Al deze mensen gaan hem niet helpen

Conducteurs worden in het gezicht geslagen, bespuugd of in de buik geschopt, vaak door zwartrijders. Intussen zit de trein vol mensen die te hulp zouden kunnen schieten. Waarom doen al die mensen dan niks?

Illustratie Martien ter Veen

Zit je dan. In de trein. Starend naar je telefoon, koptelefoon op. Even verderop zie je een medereiziger in discussie gaan met de conducteur: hij rijdt zwart en krijgt een boete. Scheldend en handgebarend maakt hij duidelijk dat hij het er niet mee eens is. En geeft de conducteur een klap.

Je kijkt om je heen. Iemand filmt het voorval, maar niemand schiet de conducteur te hulp. Je denkt: ‘Moet ik wat doen? Neeh, niet mijn probleem. De rest doet ook niks. Straks krijg ik ook een klap.’

Jaarlijks krijgen 774 NS-medewerkers te maken met geweld, volgens de NS.

Of neem deze week. Gisteren nog maakte de NS bekend dat een 50-jarige man is aangehouden die een NS-medewerker op zijn kaak had geslagen. Op station Beilen bedreigde een 28-jarige man een conducteur.

Na de zware mishandeling van een conductrice, anderhalve week geleden, is ook de politiek zich ermee gaan bemoeien. Er komen maatregelen: extra camera’s, extra agenten, dichte poortjes. Maar de conducteurs willen méér.

Dat begon met een oproep op een Facebookpagina, waarin een conducteur forenzen vroeg zich normaal te gedragen. Die oproep werd vervolgens verspreid. Ook conducteurs zijn gewoon mensen die niet van vertraging houden, staat erin te lezen. En: naast je normaal gedragen, kun je méér doen als iemand een conducteur lastigvalt.

Met de nadruk ‘kún je’, want het gebeurt vaak niet. Waarom doen omstanders vaak niks? Als een conducteur wordt lastiggevallen, bij een scheldpartij op straat, een handgemeen in een winkel: meestal grijpt er niemand in. Trouwens, je ziet het ook al bij reizigers onderling. Reizigers die een stoel bezet houden met tassen en naar luide muziek luisteren of praten in de stiltecoupé: iedereen ergert zich er weleens aan, maar zeg je er ook iets van?

Het verschijnsel dat niemand ingrijpt heeft een naam: het ‘bystander effect’, of in goed Nederlands: het passievetoeschouwerseffect.

„In het kort betekent dat: omdat er veel omstanders zijn, doet niemand iets”, zegt Paul van Lange, hoogleraar sociale psychologie aan de VU Amsterdam. Volgens hem zijn er meerdere oorzaken voor dit passieve gedrag van omstanders.

De spreiding van de verantwoordelijkheid. Hoe meer mensen aanwezig zijn bij het incident, hoe minder verantwoordelijk zij zich voelen. Iemand anders kan toch helpen? En als het dan misgaat, hoef je je ook niet schuldig te voelen. Want: die ander deed ook niks.

De sociale invloed. Als er veel omstanders zijn, kijkt iedereen naar elkaar. Wat doen zij? Het gedrag van die anderen bepaalt je eigen gedrag. Helpt niemand de persoon die hulp nodig heeft? Dan is de kans groter dat jij ook niks doet.

Publieke inhibitie. Dat is een moeilijke term voor niet willen afgaan. Mensen willen voor het oog van de massa niet voor schut staan door in actie te komen terwijl dat misschien helemaal niet nodig is. Bij dat gevoel hoort ook dat je bang bent voor kritiek als je helpt en het vervolgens toch niet goed afloopt. Of je denkt dat een van de anderen beter in staat is hulp te bieden dan jij.

Drie mogelijke oorzaken en alle drie komen ze erop neer dat hoe drukker het is, hoe minder snel mensen geneigd zijn te hulp te schieten. Er zijn studies die aantonen dat als er maar één omstander is, de kans op hulp van deze persoon op ongeveer 75 procent ligt. Bij elke extra omstander daalt de waarschijnlijkheid dat iemand te hulp schiet.

En in een treincoupé zitten vaak meerdere personen. Hoeft een conducteur dan niks van ons te verwachten? Jawel, zegt Van Lange. „Er zijn wel degelijk mensen die helpen.”

En die mensen helpen dan vaak ook heel snel. „Dat komt doordat dit de mensen zijn die er niet over nadenken. Dan handel je sneller.” Dat is wat ingrijpers zelf ook aangeven. Deze mensen worden gedreven door emotie. „Door empathie en boosheid. Zij staan niet stil bij de mogelijke risico’s.”

Maar dat zijn de uitzonderingen. Is het ook mogelijk iets te veranderen aan het toeschouwerseffect?

Van Lange vindt het té makkelijk om te zeggen: doe zelf eens wat. Maar er is wel degelijk meer mogelijk, zegt hij, vooral als mensen samen optrekken. „Kijk elkaar als omstanders aan. Oogcontact is heel belangrijk.”

Mensen duiken namelijk in hun krantje of hun telefoon om maar niet aangekeken te worden of verantwoordelijkheid te voelen. „Door elkaar aan te kijken, kun je een actie coördineren tegen de onruststoker.” En daarmee de conducteur helpen, als je het alleen niet aandurft.

Ook het slachtoffer kan op dat moment iets doen, „hoewel hij of zij waarschijnlijk bezig is met andere dingen”. Van Lange: „Als het slachtoffer probeert één iemand aan te spreken en om hulp te vragen, verschaft dat duidelijkheid over de situatie.” Dan is de kans groter dat er ingegrepen wordt.

Nog een belangrijk wapen, volgens Van Lange: de telefoon. „Als je niet durft in te grijpen: bel de politie.” En hoewel het filmen van een conducteur die in elkaar geslagen wordt niet de oplossing is, heeft het wel een functie. „Niemand houdt ervan om in zo’n situatie gefilmd te worden.” En dus zal iemand zijn gedrag sneller aanpassen, als hij gefilmd wordt. „En anders dient het wel als bewijs.”

Daarom zijn de extra camera’s die opgehangen worden op de stations ook belangrijk. „Als je weet dat je gefilmd wordt, denk je wel twee keer na voordat je je misdraagt.” En: uit onderzoek van Van Lange blijkt dat omstanders in aanwezigheid van camera’s sneller ingrijpen. Dubbele winst dus.

En als dan de conducteur geholpen is, door jou of door iemand anders, bied dan een luisterend oor. Want, zegt Van Lange, als iemand net slachtoffer is geworden van geweld, dan zijn er vaak mensen die nogmaals wegkijken. Het voelt vervolgens voor die persoon alsof hij voor een tweede keer slachtoffer is. „Vraag hoe het met hem gaat.” Dat helpt bij het verwerken. „Het kan jaren therapie schelen.”

De laatste tip is misschien een simpele, maar wel een belangrijke. „Neem een keer het initiatief, help iemand in nood. Je voelt je daarna heel goed. Je hebt iets gedaan waar je trots op kunt zijn.”

    • Bas Tooms