Aftreden Opstelten en Teeven onthult problemen bij Justitie

Het gedwongen vertrek deze week van de beide bewindslieden van Justitie, Opstelten en Teeven, roept vragen op over het ministerie zelf. De crisis draaide om de plicht van de minister om de Kamer volledig in te lichten, de kern van de democratische verantwoording dus. Daaronder begrepen: tijdig, vlot en waarheidsgetrouw. Op al die onderdelen faalde Opstelten, deels door eigen schuld – een slordig, in zekere zin overmoedig en te stellig optreden. Maar het was ook te wijten aan het departement. Het verstrekken van informatie duurde te lang, het was onvoldoende nauwkeurig en kwam met horten en stoten op gang, onder zware mediadruk.

De vondst van het digitale ‘bonnetje’, te elfder ure door externe IT-experts, bewees dat het ministerie zijn archief niet alleen niet op orde heeft, maar er ook niet meer zonder hulp van buitenaf bij kan. Een testimonium paupertatis, dus. Het toonde ook dat er eerder onvoldoende is geprobeerd om de onderste steen boven te krijgen.

Dit was immers niet de eerste keer dat er om de informatie was gevraagd. Journalisten bleken over betere bronnen te beschikken dan de minister – zelfs over de inhoud van geheime schikkingen met een crimineel. Behalve een politieke afgang was dit debacle er ook een van het ambtelijk management – een treurig staaltje onkunde.

Nu fungeert traditioneel een gedwongen aftreden van de minister als de spreekwoordelijke zweepslag voor het departement, om alsnog orde op zaken te stellen. Al was het maar om de opvolger voor hetzelfde lot te behoeden. Maar bij dit dubbele politieke aftreden, uniek in zichzelf, zijn meer vragen te stellen. Ook over het ministerie. Is dat niet te groot geworden, is het wel op zijn taken berekend, heeft het kwaliteitsproblemen? Welke politicus durft er straks de verantwoordelijkheid voor te dragen?

Het eerste kabinet Rutte veranderde bij aantreden de naam van dit kerndepartement van de rechtsstaat in ‘Veiligheid en Justitie’ en zette zo een nieuwe koers in. Alle, voorheen regionale, politiekorpsen werden er in één keer als ‘Nationale Politie in oprichting’ naar binnengeschoven. Wat Rijkswaterstaat is voor droge voeten, moest Justitie worden voor veiligheid. Een pragmatisch doe-departement, waar aanpakken de norm zou zijn. Het ministerie van de rechtsstaat, hoeder van de juridische kwaliteit van nieuwe wetten, bewaker van het staatsrecht, borg voor de onafhankelijke rechtspraak en integere vervolging, moest de vulpen inruilen voor een voorhamer.

Dat is niet bevallen. De forse bezuinigingen leiden vooral tot gelegenheidswetgeving. In zijn laatste jaarverslag hekelde de Raad van State dit kabinet omdat het wetgeving als „wegwerpartikel” gebruikt. Daarbij werd nota bene Justitie als negatief voorbeeld gegeven. Of het nu om de enkelband ging, de verhoging van griffierechten of de ‘detentiefasering’, Justitie leverde er onvoldoende visie of te zwakke motivering bij. Dit ging alleen om geld. Tel daar de taakverzwaring door het fusieproject van de Nationale Politie bij op en de voorlopige conclusie luidt dat Justitie overbelast is en kwaliteitsproblemen heeft. Niet alleen in het informatiebeheer.

Het kabinet doet er in dit korte interregnum daarom goed aan eens goed naar het departement te kijken. Was het echt wel goed om de minister van Justitie de totale politie in beheer te geven en Binnenlandse Zaken zó vergaand uit te kleden? Justitie heeft nu ook een sleutelrol in het lokale bestuur gekregen. Heeft het veiligheidsetiket echt gebracht wat de liberalen ervan verwachtten? De twijfels groeien. Dit intermezzo vraagt om een herijking van deze keuzes.