Wat te doen wanneer een baby maar één A4’tje lang is?

Tot hoe ver moet een arts gaan met het behandelen van een baby die het bij de geboorte al moeilijk heeft? Voor die vraag kwam journaliste Brenda van Osch te staan toen haar dochter Eva tien weken te vroeg werd geboren. In Het onvoltooide kind onderzoekt ze die kwestie vanuit zowel de ouderschaps- als journalistieke invalshoek.

Als Eva in 2002 ter wereld komt weegt zij slechts 680 gram en heeft zij de lengte van een A4’tje, zo schrijft de moeder. De regie wordt gevoerd door de artsen die met zuurstof- en andere apparaten het kind aan de praat proberen te houden. Want het kind heeft een kans, en de artsen doen aan kansberekening. Als het kind levensvatbaar blijkt te zijn, en de ouders uitdrukkelijk instemmen, gaat de arts door met behandelen. En de ouders worden er in meegezogen. ‘In de maanden erna vroegen we ons af – soms hardop, soms in stilte – of het misschien te veel gevraagd was om zo’n hummeltje in leven te houden.’ Eva kreeg het uiteindelijk voor haar kiezen: doof, niet kunnen praten, verstandelijk beperkt en autistisch. Zij is nu twaalf jaar.

Is er geluisterd naar de wens van de ouders om het kind misschien niet te blijven behandelen? De journalist Van Osch praat met artsen op de intensive care voor premature kinderen om ‘vragen te stellen die ik als moeder destijds niet stelde, of niet durfde te stellen.’ Waar ze als ouder dacht dat artsen koste wat kost een kind in leven willen houden, hoort ze als journalist ook de verhalen van de artsen zelf en hun persoonlijke afwegingen. Indrukwekkend zijn daarbij de passages waarin Van Osch de gesprekken in de ‘artsenkamer’ weergeeft, waar de pasgeboren baby’s met heel veel respect worden besproken. En waar de uitzichtloosheid van de behandeling wel degelijk onder ogen wordt gezien.

Uiteindelijk concludeert Van Osch toch dat Eva een prijs heeft betaald voor de wens van de ouders en die van de maatschappij om een te vroeg geboren kind te redden.