Waarom praten politici zo raar?

Het is niet duidelijk, het is volstrekt duidelijk. Er wordt iets niet gezegd tegen mijnheer Jansen, maar richting mijnheer Jansen. Trouwens, er wordt niet iets gezegd, maar bij voorkeur gewisseld. Kortom: politieke taal. Andere taal; rare taal. In elk geval geen gewone taal. Maar altijd: direct herkenbaar.

In het najaar van 2013 voerden vier jonge acteurs van het Nationale Toneel het door henzelf geschreven stuk Nieuwspoort op. Het was de weerslag van een, zoals zij het zelf noemden, „dertien weken durende safari door politiek Den Haag”. Dertien weken hadden ze overal mogen rondlopen in de Tweede Kamer en in het perscentrum Nieuwspoort en zich opgehouden onder politici.

Ze hoorden de taal en ze speelden in hun stuk die taal. Het leidde tot een hilarische openingsscène waarbij de toeschouwers worden toegesproken alsof zij geachte afgevaardigden zijn. Dus valt om de twee zinnen de term „geacht publiek”.

Politieke taal. Een taal die altijd weer bovenmatig veel belangstelling wekt. Het is immers taal voor de buitenwereld. Voor een wereld die overtuigd moet worden van het eigen gelijk of het ongelijk van de politieke concurrent. Dat vraagt om helder, beeldend taalgebruik, gebracht met de nodige overtuigingskracht. Dan gaan de wetten van de retorica een rol spelen en zegt de politicus van de oppositie niet dat „de minister drie fouten heeft gemaakt”, maar dat „de minister niet één, niet twee, maar zelfs drie fouten” heeft gemaakt. Dat klinkt een stuk ernstiger.

Taal van de politicus moet ook beklijven. Vandaar dat politici zich zo vaak bedienen van beelden. Het „bonnetje” van Opstelten, „het duo ruig, ruiger, ruigst” (D66-leider Alexander Pechtold over de bewindslieden Opstelten en Teeven) de „minister van dakpannen” (PVV-leider Geert Wilders over minister Blok), het „roer dat om moet” (CDA-leider Sybrand Buma over het kabinetsbeleid).

Maar er is ook de taal van diezelfde politici voor de binnenwereld. Voor de eigen wereld waar eenieder aan één woord genoeg heeft: „het VAO is van de agenda afgevoerd”. Of waar al te duidelijk taalgebruik op een gegeven moment juist niet gewenst is. Nederland is nu eenmaal een coalitieland waar het regeringsbeleid is gebouwd op ‘ononderhandelbare’ standpunten die zijn platgewalst tot compromisteksten waarbij leestekens het cement vormen.

Kortom: de politieke taal is zo divers als de gebruikers ervan. Woorden hebben hun betekenis, weet iedere politicus. Wie het woord beheerst, beheerst de kiezer en bij voldoende kiezers misschien wel de macht. Dat is volstrekt duidelijk.