Verdriet en woede van een zoekende Noorse puber

Met Tycho Zeling was hij nu wel klaar, vertelde Edward van de Vendel acht jaar geleden aan deze krant. Na Ons derde lichaam (2006) en de voorloper De dagen van de bluegrassliefde (1999) had hij zijn geesteskind voldoende doorgrond. Mocht hij ooit toch een vervolg schrijven, zo verklapte hij, dan zou dat niet over de bedachtzame Tycho, maar diens grote liefde Oliver gaan: een Noors voetbaltalent, een wat bruuske, zwijgzame jongen die zijn seksuele geaardheid maar moeilijk kan accepteren.

Dat boek is er nu. En vergeleken met zijn geprezen voorgangers is Oliver de meest complete roman van de drie. Oliver beperkt zich niet tot puberale navelstaarderij en geworstel met ziel en seksualiteit, maar plaatst Olivers volwassenwording in de bredere context van zijn leven in Noorwegen, voordat hij Tycho ontmoet. Dat maakt de toon en ook de beeldspraak wat minder krampachtig modieus en bewijst Van de Vendels groei als schrijver.

Motor van het verhaal is de plotselinge breuk tussen Olivers ouders. Na zijn succesvolle keepersdebuut in Gjoviks eerste elftal, vindt Oliver bij thuiskomst een leeg huis. Een verdacht leeg huis. Geen berichtje van ‘far’. Geen bericht van ‘mor’. En wat doet die doos met dat katje in de bijkeuken?

Op bijna filmische wijze roept Van de Vendel vanuit een schijnbaar alledaagse situatie een beklemmende sfeer op. Wat er mis is weet je niet. Maar dat er iets mis is blijkt uit alles. Wat volgt is een sterk psychologisch portret van een 16-jarige jongen die het gevoel heeft dat het fundament van zijn bestaan onder hem vandaan is geschopt. Dat gevoel wordt versterkt door zijn sluimerende homoseksualiteit en het verborgen verdriet om zijn verongelukte oom, de vader van zijn neef en beste vriend Bendik, ook zestien en net zo levensecht als Oliver.

Tegen het decor van een Scandinavisch landschap probeert Oliver met Bendik en zijn vader, ‘de pijn om alles wat verandert’ te accepteren, door te onderkennen dat het leven, zoals zijn vader zegt, een onafgebroken zoektocht is naar ‘de juiste vorm’ en iedereen ‘gedoemd is mee te buigen’.

De spanning in Oliver zit niet in de plot, maar in de krachtige beelden en de subtiele, vaak half afgemaakte dialogen tussen de personages en hun handelingen. Ontroerend is bijvoorbeeld de scène waarin Oliver na jaren het verdriet om zijn oom toelaat nadat hij beseft dat hij hem indertijd heeft laten verdwijnen ‘in de wand van de tunnel’ waarin hij verongelukte, waardoor hij jegens Bendik tekort is geschoten. Veelzeggend is ook de verbeelding van Olivers boosheid in wilde fantasieën waarin hij zijn vader doodt.

Scandinavisch zwaar en beladen? Zeker. Maar Olivers vader heeft gelijk: voor alles ‘is er een juiste vorm’. En voor Oliver heeft Van de Vendel die in ieder geval gevonden.