Column

Textielbaron

Naast alle fastfashionzaken van Urban Outfitters, Pull & Bear en Forever 21, huist aan het Rokin al meer dan dertig jaar een oase van Franse gratie, Agnès b. Dit weekend komt Agnès Andrée Marguerite Troublé, stichter en eigenaar van het modehuis (300 vestigingen van Taipei tot New York), naar Nederland om de première van haar speelfilmdebuut bij te wonen.

In de Amsterdamse vestiging staat Martin Eras zich erop te verheugen. Hij verkocht mij in 1991 een wit en een lichtblauw overhemd – ik betaalde die van mijn eerst verdiende geld. Toen ik jaren later een goudsatijnen kokerrok kocht, raakte ik met hem in gesprek. Hoe kwam het dat de zomen van zijn rokken zo snel loslaten, vroeg ik. Hij liet zien hoe kwetsbaar het stiksel is.

„Vursichtig zijn”, zei hij.

Geen twijfel mogelijk: Tilburg.

We bleken een Tilburgs verleden te delen. Ik als scholier, hij als nazaat van de grootste textielbaron, Henri Eras, van de Wollenstoffenfabriek. De oude Eras had 510 arbeiders in dienst, die onder ellendige omstandigheden een half miljoen dekens per jaar produceerden. In 1904 was hij de op zes na rijkste man van de stad. Zijn villa is nog steeds het mooiste huis van de Goirkestraat. Een echo van die textielgeschiedenis herkende ik in Martins stijl en zakelijkheid van nu.

Martin Eras lijkt op een danser. Een lange nek en een tegelijk zachtmoedige en brutale blik. Maar hij heeft nooit de lenigheid van een danser gehad, zegt hij. Zijn grote liefde was een New Yorkse danseres, die hij in Parijs ontmoette. Op het moment dat hij haar naam noemt, steekt ze haar hoofd om de deur van zijn kantoor om thee te drinken.

Hij laat een kinderfoto zien, eind jaren zestig gemaakt. Vier broertjes op de bank. Martin, de derde, heeft een roze broek aan, een lichtblauw velours truitje en een geel sjaaltje om zijn nek. Zijn vader had een groot bedrijf in Italiaanse meubelen aan de Tilburgse Veldhovenring, het gezin woonde erboven.

Achter hun huis begon de arbeiderswijk. „Ik schaamde me een beetje tegenover mijn vrienden”, zegt Martin. „Er konden wel vier van hun huisjes in onze showroom.” ’s Avonds speelde hij buiten, met honderden kinderen. „Ik mocht altijd mee-eten en hun moeders vroegen: ‘Hoe ist mee jou?’ Lievere mensen dan uit die arbeidersfamilies heb ik nooit ontmoet. Elegant ook, op een eenvoudige manier.”

Zijn beste vrienden zijn Tilburgers en jeugdvriend Henny Vrienten komt nog wel eens in de winkel voordat hij een concert heeft. „Dan zegt hij: ‘Martin, kleed je me aan? Ik moet er netjes uitzien.’”

Hij leerde kleding verkopen in de Tilburgse modezaak Burley. „De kunst is je verplaatsen in iemand die binnenkomt. ‘Hé, ik mis iets, wat kan dat zijn?’”

Op zijn twintigste vertrok hij naar Parijs. Hij laat foto’s zien van zijn appartement aan de Rue Notre Dame des Champs. Keith Haring staat erop, fotograaf Paul Blanca, jazzmuzikant Eric Watson. Bij hem om de hoek zat een van de eerste winkels van Agnès b. In de etalage zag hij de elegantie van het Tilburgse proletariaat terug. „Kleding voor salonsocialisten, want die konden het betalen.”

Kon hij zo’n winkel in Amsterdam beginnen? Zijn vader kwam naar Parijs en wilde voor 50.000 gulden garant staan. Zo opende Martin winkels in Düsseldorf en Antwerpen, die aan het Rokin bleef zijn eigendom.

„Hoe is het met de rokzomen”, informeert hij. Die hangen er nooit meer uit.