Column

Korter leven

Uit de krant van gisteren begreep ik dat ik 13 maanden eerder zal sterven dan wanneer ik in een schone omgeving had geleefd. 9 maanden door blootstelling aan fijnstof, 4 maanden door luchtverontreiniging met stikstofdioxide. Omdat ik al geruime tijd in Amsterdam woon, dichtbij drukke verkeerswegen, zullen er nog wel wat maandjes bijkomen. Hoeveel precies weet ik gelukkig niet.

Maar die 13 maanden gemiddeld staan wel zo ongeveer vast. De sterfte door stikstofdioxide hebben ze vastgesteld door de gegevens van 7 miljoen Nederlanders te onderzoeken, die van 1999 tot 2004 op hetzelfde adres bleven wonen.

Ik moest denken aan mijn vader, die als belangrijkste kwaal longemfyseem had. Hij woonde lange tijd langs een van de drukste verkeerswegen van Nederland. Bovendien was hij een groot deel van zijn leven een roker, waardoor hij ook veel koolmonoxide binnenkreeg. Hoeveel maanden had hij wel niet langer geleefd zonder al die rotzooi in zijn longen? Nou ja, hij mag niet klagen, hij is toch nog bijna 89 jaar geworden.

Maar misschien heb ik minder geluk en moet ik minstens 13 maanden in mindering brengen. Geen kattepis. In 13 maanden kun je heel wat kinderen verwekken, boeken lezen en films kijken – uiteraard liefst in die volgorde. Ook maak je misschien net niet meer mee dat Nederland wereldkampioen voetbal wordt, wat geen halszaak is, maar toch wel érg sneu, als je een leven lang van ‘net niet’ naar ‘helemaal niet’, en vice versa, bent gestruikeld.

Het is een vreemd idee dat de mens soms zijn leven met de vreselijkste therapieën probeert te rekken, terwijl elders een onzichtbare hand 13 maanden van zijn leitje wist. Alsof het de annulering van een voorbarige reservering betreft.

„We vinden het wel genoeg geweest”, zegt die hand, „het is vervelend, maar u heeft het ernaar gemaakt.” „Hoezo?”, zal ik bozig vragen. „Dan had u maar op het platteland moeten blijven wonen”, zegt de hand, „daar was het nog eens schone lucht.” „Maar dan had ik nooit voor NRC Handelsblad kunnen werken”, werp ik tegen. „Nou én”, zegt de hand, „is werken belangrijker dan leven?”

Ik doe alsof ik die onredelijke vraag niet hoor en pieker over het platteland, waar de lucht zo schoon kan zijn. Ik durf het nauwelijks te zeggen, en zeker niet tegen die onzichtbare hand van wie velen geloven dat hij van God is, maar ik denk onwillekeurig: zo zuiver, maar ook zo saai. Liever, veel liever, wentel ik mij in de smerigheid van de grote stad.

Ik woon nu dichtbij de plek waar Theun de Vries, de schrijver, is gestorven. Lang geleden, toen ik zelf elders woonde, heb ik hem thuis opgezocht voor een artikel in de krant. Hij was al een stokoude man, geestelijk nog zeer kwiek, maar met een lichaam dat hem steeds meer streken begon te leveren. Toch liep hij nog regelmatig naar de bioscoop, vertelde hij me, ook ’s avonds, want hij was een groot filmliefhebber.

Dat interview ben ik verder vrijwel helemaal vergeten, maar die ene simpele mededeling heeft zoveel indruk op me gemaakt dat ik nog altijd durf in te staan voor de authenticiteit ervan. In de jaren erna begon ik steeds sterker te overwegen mij in Amsterdam te vestigen. Als ik daaraan dacht, rees altijd een beeld voor me op dat ik nooit had gezien maar wel ‘gehoord’: het beeld van een oude man die traag, maar doelgericht langs een gracht op weg gaat – naar de film.