‘In Mexico voeren we strijd om drugs, niet tegen drugs’

Mexico is een van de gevaarlijkste landen ter wereld voor journalisten. Anabel Hernández moest vluchten.

Mexicanen steken kaarsen aan bij foto’s van vermoorde journalisten. Foto EPA/Sashenka Gutierrez

Vlaardingen. Anabel Hernández leeft nog. Maar het scheelde niet veel. Sinds de Mexicaanse onderzoeksjournaliste in 2010 haar boek Señores del Narco (in het Engels vertaald als Narcoland) publiceerde over de connectie tussen de Mexicaanse overheid en de drugskartels, is ze een doelwit. Het boek was een sensatie in Mexico omdat het een onuitwisbare lijn trok van de opperbevelhebber van een vorige president, Vincente Fox, naar één van de beroemdste drugsbazen van het land, Joaquin ‘El Chapo’ Guzmán, leider van het Sinaloa-kartel. Zo diep zat de corruptie dat de in 2006 door president Felipe Calderón aangekondigde ‘oorlog tegen drugs’ niet te winnen was, concludeerde Hernández. In Mexico voeren we oorlog om drugs, niet tegen drugs, betoogde ze.

In Mexico werden meer dan 100.000 exemplaren van het boek verkocht. Hernández vond onthoofde huisdieren in haar portiek. Gewapende mannen bezochten een verjaardagsfeest van haar familie. Gewapende mannen vielen in december het hofje binnen waar ze woont en zetten haar buren een pistool tegen het hoofd. Een van haar bodyguards werd meegenomen en toegetakeld vrijgelaten – de laatste waarschuwing, begreep ze.

Sinds eind vorig jaar zit ze in San Francisco, waar ze werkt aan een boek over de verdwijning in Mexico, afgelopen september, van de 43 studenten uit het dorp Ayotzinapa, een gebeurtenis die wereldnieuws werd. Deze dagen is Hernández, een vrouw met ogen die vonken schieten van verontwaardiging zodra ze over onrecht spreekt, in Nederland op uitnodiging van de stichting Free Press Unlimited, die vandaag de Geuzenpenning ontvangt (zie inzet).

„Ik kan verdragen dat ik zelf een doelwit ben en, tot op zekere hoogte, dat ik een gevaar ben voor mijn familie. Maar dat mijn buren die niets met mijn werk te maken hebben, bedreigd worden, alleen maar omdat ze naast me wonen, dat werd me te veel,” zegt ze in het stadhuis van Vlaardingen.

Al is het land niet in oorlog, Mexico is een van de gevaarlijkste landen ter wereld voor journalisten. Volgens de Amerikaanse Committee to Protect Journalists zijn in Mexico sinds 2006 51 journalisten en cameralieden omgebracht. De journalisten vormen daarmee het topje van de ijsberg – Mexico telt 100.000 doden en 24.000 verdwijningen door drugsgeweld. Zelden wordt een zaak opgelost.

„Correctie: ‘omgebracht’ is een veel te net woord”, zegt Hernández fel. „De meeste collega’s werden eerst gemarteld, verkracht en verminkt voordat ze gedood werden.” Het is niet het gevaarlijkste om over de kartels te schrijven, zegt de journaliste. „Het wordt pas echt link als je schrijft over de verstrengeling tussen de drugsmaffia en de overheid; de lokale politie, de federale politie en het leger. Het waren niet de kartels die mij bedreigden, of niet alleen. Het was de federale politie die, zoals mijn bronnen mij gelukkig op tijd lieten weten, na het verschijnen van mijn boek openlijk besprak hoe ze mij uit de weg zouden kunnen ruimen.”

De infiltratie van de kartels in lokaal bestuur en economie maakt het voor journalisten extreem moeilijk om onafhankelijk te opereren, zegt Hernández. „Er is geen persvrijheid in Mexico. De regering controleert de meeste media door invloed uit te oefenen op benoemingen en door ruimte op te kopen voor het doen van mededelingen; een belangrijke inkomstenbron voor kranten. Daarbij is er geen vakbond of andere goede organisatie van journalisten. Individuele journalisten worden vaak in toom gehouden door uitgevers en eigenaars van lokale kranten, die bang zijn, of omgekocht.”

De veiligheidssituatie voor journalisten in het huidige Mexico wordt wel vergeleken met die in Colombia in de jaren 90. Toen hield daar het Medellínkartel huis, wat tussen 1997 en 2003 jaarlijks zo’n tien Colombiaanse journalisten het leven kostte. Kranten wisten het gevaar te spreiden door samen te werken en gelijktijdig stukken te publiceren. Met internationale hulp en steun van de regering werd het tij zelfs gekeerd. Al worden in Colombia nog steeds journalisten vermoord, niet meer zoveel als toen.

In Mexico is zo’n ontwikkeling niet denkbaar, zucht Hernández. „De media in Mexico-Stad bemoeien zich te weinig met de lokale journalisten in rurale staten waar de kartels heersen, zoals Veracrúz of Michoacán.”

Regelmatig zeggen uitgevers en hoofdredacteuren van Mexicaanse lokale kranten openlijk dat ze stoppen met publiceren over drugsgeweld, omdat hun leven ze lief is. In 2010 smeekte El Diario de Juárez, een krant in de grensstad Ciudad Juárez die toen geteisterd werd door drugsgeweld, de kartels in een berucht commentaar: „Wij vragen jullie om ons uit te leggen wat jullie willen, wat we kunnen publiceren en niet publiceren, zodat we ons kunnen aanpassen.”

Op alle Mexicaanse tv-kanalen waren ondertussen in de afgelopen weken dag in dag uit de beelden te zien van twee belangrijke drugsbaronnen die gearresteerd zijn. Onder de huidige president, Enrique Peña Nieto zijn sinds 2012 negen kartelkopstukken gearresteerd of gedood.

Hernández is niet onder de indruk. „Mexico kent deze show”, zegt ze vuurspuwend. „Peña Nieto’s partij, de PRI, was gewend deals te sluiten met de grote kartels. Ze begrijpen nog steeds niet dat ze geen enkele greep meer hebben op de inmiddels honderden gewapende bendes in dit land. En dat elk gearresteerd kopstuk leidt tot een verdere versplintering van de kartels. Wij Mexicanen kennen het einde al van deze show. Meer geweld, meer doden, meer gevaar.”

    • Maartje Somers