Het verlangen een taalvreemdeling te zijn

Ze is een schrijver zonder moedertaal, legde Jhumpa Lahiri (1967) vorige week aan Adriaan van Dis uit. En in dat gebrek aan een moedertaal lag haar existentiële tweestrijd. Wie je bent en waar je bij past, dat zijn vragen die tot nu toe in al haar verhalen en romans aan de orde kwamen. Meestal ging het om de vreemdeling in India of de VS en om zijn of haar aanpassingsproblemen in dat land. Daarbij bewandelt Lahiri niet de gangbare weg: fascinerend zet ze conflicten neer tussen bijvoorbeeld een man die in India verwestert, terwijl de achtergebleven gemeenschap in de VS zich juist vastbijt in Indiase tradities. Lahiri zelf noemde het vertolken van de ontworteling een vorm van literaire antropologie.

Met andere woorden, het nieuwste boek van Lahiri, is anders dan al haar vorige werk. Ze schreef het in het Italiaans en het gaat volledig over de vraag waarom ze overstapte op die taal, waar haar liefde voor het Italiaans vandaan kwam en waarom ze als oorspronkelijk Engelstalige schrijver nu een voorkeur heeft voor het schrijven vanuit een andere dan haar vertrouwde taal. Deze keer dus geen hang naar wortels door middel van familieconflicten en duidelijke verhaallijnen, maar een zoektocht in, door en met taal.

Lahiri ging Italiaans leren om een derde taal toe te voegen aan het Bengaals en het Engels. Als kind sprak ze thuis Bengaals, buiten sprak ze Engels. Taal vervreemdde haar tot op zekere hoogte van haar ouders die koste wat kost alleen Bengaals in huis wilden spreken en horen. De talige achterstand van haar ouders in de Verenigde Staten werd haar voorsprong, waarbij gêne en medelijden met haar ouders om voorrang vochten.

Door zich een nieuwe taal toe te eigenen, kon ze ervaren hoe het voor haar ouders was om echt een vreemde te zijn – Lahiri wordt dat ook wanneer ze zich met haar gezin in Rome vestigt. Het verlangen een vreemdeling in taal te zijn, brengt een interessant risico met zich mee, zeker voor een schrijver. Haar idee om het verhaal van de immigrant puur talig te benaderen is origineel en verrassend, temeer omdat we er altijd vanuit gaan dat migrantenverhalen over aanpassingen en conflicten gaan. Lahiri koppelt in Met andere woorden aan al die zoektochten de vraag wie ze nu eigenlijk is. Ze beseft dat ze nooit zo vloeiend Italiaans zal spreken en schrijven als Engels, dus ze vraagt zich af waarom die drang naar het Italiaans zo groot is. En zal ze, ondanks haar gekleurde huid, ooit als Italiaanse worden aangesproken of blijft ze ook in Italië de eeuwige Indiase die toevallig haar taal goed spreekt?

Het boek is sympathiek in opzet, begonnen vanuit een briljant idee. Alleen is deze persoonlijke zoektocht soms erg particulier en uitleggerig. Dat zal het wennen aan de nieuwe taal zijn – tenminste dat is te hopen.