Friezen in de vuile oorlog

Zo’n 100.000 dienstplichtigen vochten in Nederlands-Indië tegen de Indonesische nationalisten. Hylke Speerstra tekende de verhalen op van de Friezen onder hen.

Afscheid van dienstplichtigen op weg naar het voormalige Nederlands-Indië Foto Museum Bronbeek, Arnhem, de expositie ‘Oorlog!’

‘We verloren weer een man, we waren onszelf niet meer, en dat zou nog jaren zo blijven. [...] Achteraf beschouwd hadden we daar helemaal niet moeten wezen, ik bedoel, daar in Indië niet, tenminste niet daar in de rotzooi. Je wordt op patrouille gestuurd en stilaan verder het verderf in getrokken. We raakten opgefokt.’ Aan het woord is Indiëveteraan Gerrit Baard, geboren in Friesland in 1926. Als jongeman maakte hij deel uit van de Nederlandse strijdkrachten die tussen 1945 en 1949 in twee grote politionele acties en talloze kleinere offensieven tegen Indonesische nationalisten vochten. De herinneringen aan die oorlog spoken nog steeds rond in Baards hoofd, en in de hoofden en levens van duizenden andere dienstplichtigen en vrijwilligers. Militair Baard vertelt zijn verhaal aan Hylke Speerstra, de chroniqueur van het Friese platteland, in Op klompen door de dessa dat eerder in het Fries verscheen als Op klompen troch de dessa.

Helden

Het is dit jaar 65 jaar geleden dat de laatste troepenschepen terugkeerden uit de Oost. Wat begon als een vredesmissie om, na de Japanse capitulatie, rust en veiligheid in de kolonie te brengen, eindigde in een gevechtsmissie: de Nederlandse militairen dachten als helden te worden ontvangen, maar ze kwamen terecht in een guerrillaoorlog vol weerstand, haat en verraad. De tegenstand van Indonesische zijde was overweldigend. Het land wilde nooit meer terug naar de vooroorlogse koloniale verhoudingen.

Het boek van Speerstra is nadrukkelijk in Friesland geworteld. Hij opent Op klompen door de dessa met een zeer persoonlijke, lyrische evocatie van het Friese platteland. Hij beschrijft de weilanden, de kleuren van het gras, de blijdschap van jonge mensen over het einde van de Tweede Wereldoorlog. Maar dan komt de klap: achttienjarigen worden opgeroepen om in Nederlands-Indië te dienen.

Razendsnel vormde de regering een leger van 100.000 man – sommige historici spreken van 135.000 man en zelfs meer. Daar gingen ‘onze jongens’, zoals de militairen steeds meer heetten. Op weg naar de Oost, onvoorbereid, slecht of nauwelijks getraind, voorzien van ondeugdelijk materieel. Het van overheidswege ‘verzoenende’ begrip politionele actie verhulde dat het een vuile oorlog was, met traumatische gevolgen voor de jongemannen van toen. Mannen die nu ver in de tachtig of negentig zijn, maar allesbehalve verlost van hun nachtmerrieachtige verleden.

Hoewel de ondertitel eigenlijk moet zijn Friese Indiëgangers vertellen in plaats van Indiëgangers vertellen bezit dit herinneringsboek beslist een grotere reikwijdte. Indringend beschrijft Speerstra zijn bezoeken aan de mannen van nu. Zijn woordkeuze is opvallend verzachtend: het zijn jongemannen, vrienden, kameraden, nooit soldaten of militairen. Hij laat hen uitvoerig aan het woord en ontlokt uitspraken, die nooit geheelde wonden verraden. Hierdoor is Op klompen door de dessa een verstikkend relaas.

Opmerkelijk aan Speerstra’s perspectief is dat hij nadrukkelijk lijnen trekt tussen de heldenmoed die tijdens de Duitse bezetting ontwaakte bij de Friezen – vooral afkomstig van het platteland – en de gedroomde heldenmissie in de Oost. Opzienbarend is het knap opgeschreven twistgesprek met veteraan Fokke Dijkstra (1925) over het beruchte bloedbad dat de Nederlandse militairen aanrichtten op 9 december 1947 in het Javaanse dorp Rawagede. Volgens officiële cijfers, waarop de auteur zich baseert, kwam hierbij zo goed als de hele mannelijke bevolking om: 431 slachtoffers. Dijkstra, een der laatste getuigen, was er als dienstplichtig sergeant bij betrokken. Het is zijn stellige overtuiging dat je van die 431 er gerust vierhonderd mag aftrekken. Dijkstra voert, aldus Speerstra, ‘een eenzame strijd’.

Hinderlagen

In kort bestek tekent zich in het hoofdstuk ‘De razzia van Rawagede’ de hele Nederlandse politionele tragedie af. De ondraaglijke spanningen waar de soldaten aan ten prooi vielen. De angst, verveling en vooral verwarring: de Nederlanders waren voor vrijheid en veiligheid gekomen, en werden in hinderlagen gelokt. Dijkstra toont brieven van een Javaanse schooljongen die aan de militairen om veiligheid vraagt omdat de ‘rampokkers’, de Indonesische nationalisten, zijn ouders willen doden. ‘Heel wat bevolkingsgroepen moesten het met de dood bekopen, duizenden werden afgemaakt’, aldus Dijkstra. Na hun terugkeer viel de veteranen geen heldenrol ten deel, maar desinteresse en zelfs smaad: ze werden ervan beschuldigd moordenaars te zijn.

Er is ook wel iets af te dingen op Speerstra’s boek. Als lezer snak je soms naar adem, want de opeenstapeling van verschrikkingen en trauma’s is te beklemmend. Ook zou je op den duur meer te weten willen komen over een bredere historische context, waarin ook de Indonesische kant aandacht krijgt en nuanceringen aan bod komen. Dat neemt niet weg dat Op klompen door de dessa op persoonlijke wijze stem geeft aan diep verzwegen, pijnlijke oorlogsherinneringen.