Een grondtoon van narrige wanhoop

Vijftig jaar schrijverschap en zeventig jaar zijn. Ter ere daarvan zijn veel verhalen van Wiener gebundeld en is er een nieuwe roman verschenen. Wat is het autobiografisch getinte werk waard van deze ‘radeloze’ romanticus?

L.H. Wiener ‘blijft zichzelf trouw als iemand die nu eenmaal moeilijk compromissen met de wereld sluit’ Foto Martijn Beekman

Er bestaat een geschiedenis van de autobiografie, ergens voor de oorlog geschreven door een zekere Georg Misch. Vier dikke delen in acht banden, het was dan ook een Duits-grondige onderneming. Daarin is te lezen dat de mens om allerlei redenen altijd graag en vaak tevreden naar zijn eigen leven heeft gekeken en geoordeeld heeft dat het de moeite waard moest zijn om het aan anderen te laten zien.

L.H. Wiener is zeventig jaar oud en vijftig jaar schrijver. Ook hij achtte de tijd gekomen om de balans op te maken. Al wat geen roman was heeft zijn uitgeverij ter gelegenheid van dat jubileum onder de titel De verhalen in een pil van meer dan elfhonderd bladzijden bijeen gebracht. Hoewel er al eerder bundelingen van Wieners werk onder dezelfde titel waren verschenen, achtte de uitgeverij die kennelijk nog steeds bruikbaar voor wat misschien wel de definitieve verzameling van Wieners werk zal zijn – al staat zoiets natuurlijk nooit vast.

Toch is de titel misleidend. Het boek bevat dan wel een groot aantal verhalen in de klassieke zin van het woord, maar daarnaast ook anekdotes, notities en aanzetten tot verhalen en een groot aantal andersoortige teksten, waaronder korte essays, een dagboek en een novelle, tezamen 95 titels. Het begrip verhalen hoeven we hier dus niet steeds letterlijk te nemen als waren ze geschreven in de traditie van het literair genre van het korte verhaal, we kunnen de titel ook opvatten als wederwaardigheden, misères, lotgevallen, afgewisseld met overpeinzingen en bespiegelingen van de auteur over het leven in het algemeen en zijn eigen leven in het bijzonder.

Over het autobiografische karakter ervan laat hij van begin af aan geen misverstand bestaan. Ook de verhalen uit zijn beginperiode, die op het eerste gezicht weinig autobiografisch aandoen, blijken met zijn leven te zijn vervlochten. ‘Wat de lezer hier in handen houdt, is de zuiverste vorm van fictionele autobiografie,’ legt Wiener uit. ‘Een enkel verhaal valt nog binnen de traditionele fictionaliteit, maar vormt door de entourage waarbinnen het figureert toch een complementair facet in het grillige literaire mozaïek dat zich gedurende vijftig jaar schrijverschap omtrent mijn leven – mijn werkelijkheid – heeft geformeerd’, verklaart hij wat omzichtig formulerend. Heel wat auteurs hebben er een hekel aan wanneer hun fictie met hun leven in verband wordt gebracht, Wiener wil dat juist.

Personages

De lezer weet nu dat de schrijver alom aanwezig is, zelfs als hij zich lijkt te verschuilen, is hij er, in al zijn personages, in al zijn ik- en hij-figuren – de werkelijkheid die hij beschrijft is die van hemzelf.

Volgens datzelfde voorwoord verkennen Wieners vroegste verhalen ‘paranoia en schizofrenie tot hun uiterste grenzen, waarbij slachtoffer en beul onderling verwisselbaar zijn en de verraderlijke medemens evenzeer schuilt in de ander als in zichzelf.’ Met het klimmen der jaren wordt zijn als heilloos gevoelde misantropie door Wiener ingeruild voor een evenzo heilloos solipsisme, dat op zijn beurt weer wordt losgelaten. ‘De finale vraag naar de zin van het bestaan, blijft een leven lang actueel, maar wordt nimmer beantwoord.’ Zo ziet de schrijver zijn werk.

De lezer krabt zich op zijn hoofd. Hoe beoordeel je een autobiografie als deze, die geen traditionele autobiografie wil zijn maar toch min of meer als een wil worden gelezen? Op de verhulde en onverhulde levensfeiten, die de auteur prijsgeeft? Op zijn persoonlijkheid en karakter? Op het literaire gehalte van zijn relaas? Op het waarheidsgehalte? Wie zijn leven prijsgeeft aan de openbaarheid roept automatisch over zich af dat het door de buitenwereld wordt gewogen. Een oordeel over een autobiografie is daardoor ook altijd een oordeel over de schrijver ervan, of die dat nu leuk vindt of niet.

Leraar Engels

We weten zo langzamerhand wel dat het geheugen niet betrouwbaar is, ook dat van Wiener niet. Vreemd genoeg is dat hier niet zo belangrijk omdat De verhalen ook een apologie lijken te zijn. Een autobiografie wil tonen hoe het geweest is, een apologie wil uitleggen, ophelderen, verklaren en vooral rechtvaardigen. Wat dat eerste aangaat, het levensbericht van een leraar Engels in een middelgrote provinciestad is nu niet bepaald iets waarvan de lezer gaat watertanden. Het staat niet garant voor verbluffende daden en ontmoetingen met de groten der aarde. Nee, Wiener wil niet op die manier schitteren. Hij wil zich rekenschap van zijn leven geven om aan zichzelf uit te leggen dat het niet anders geleefd had kunnen worden. Hij toont zich daarin ironisch, sarcastisch, onverschillig, gemelijk en vaak vol schimpscheuten naar de wereld, maar ook af en toe teder en sentimenteel, onzeker en narcistisch. Zoals menige misantroop – neem nou Schopenhauer – is hij een dierenvriend. Er is altijd wel een vogel in de buurt of anders wel zijn kat. De Tweede Wereldoorlog is er ook, niet altijd met zoveel woorden, maar meepratend op de achtergrond.

Hoe dan ook, Wiener blijft zichzelf trouw als iemand die nu eenmaal moeilijk compromissen met de wereld sluit, al kom je nooit goed te weten waarom dat zo is. Zijn medemens kan hem dan wel zelden bekoren, dat wordt anders als die van het vrouwelijk geslacht is en jong en mooi. Wiener is een liefhebber. Als leraar Engelse taal en letterkunde op een middelbare school wordt hij in de hoge klassen elk jaar opnieuw geconfronteerd met een nieuwe lichting achttienjarige jonge vrouwen, ‘de meisjes van 6 gym alfa’, terwijl híj almaar ouder wordt. ‘Jaar in jaar uit behouden deze meisjes hun schoonheid en jeugd, terwijl de voort worstelende onderwijsman zijn krachten allengs meer voelt wijken.’

Hoewel hij bij hen niet kansloos is – verre van, als we hem mogen geloven – is er tegen de melancholie, die dan toch weer toeslaat, en de misantropie maar één probaat middel, te weten ‘Koningswater’, dat wil zeggen: jenever of whisky, in ruime hoeveelheden. ‘Ik ben alcoholist,’ laat hij zijn alter ego ergens zeggen, pour épater le bourgeois. Dat wel.

Overal klinkt een grondtoon van narrige wanhoop door, van radeloosheid misschien, soms zacht, soms luid. Niet omdat hij bang is niet het juiste te doen – bang is hij niet echt – maar omdat de keuzes die hij heeft hem eigenlijk alle tegenstaan, waardoor het wel eens lijkt alsof hij in de verkeerde film terecht is gekomen. Zijn leven is dat van een romanticus in een tijd, die met die mensensoort geen geduld meer heeft. Hij weigert daaronder te lijden en is bereid de strijd aan te gaan. Wiener koketteert daarbij graag een beetje met zijn zonden: drank, agressie, porno, seks. De burgerman op stang jagen, ook de burgerman in hemzelf. Conflicten scheppen duidelijkheid. Aan de andere kant is hij ook een vervoerde – maar soms ook koele – minnaar en spant hij zich in om een goede vader te zijn. En de literatuur? Hij schrijft het en geeft er les in. Als leraar Engels beschikt Wiener over een uitgebreid arsenaal aan fraaie citaten uit zijn geliefde Engelse literatuur, waarmee hij kwistig strooit.

Inderdaad, De verhalen is een mozaïek – die metafoor klopt wel – zij het een mozaïek waarin sommige stukjes meer flonkeren dan andere. De eerste helft bestaat nog voor een aanmerkelijk deel uit verhalen in de traditionele zin van het woord waarin Wieners leven meer of minder in het oog springend is verwerkt, in de tweede helft laat hij de traditionele verhaalvorm vallen, het is openlijk autobiografisch en eigenlijk het beste deel van het boek. De observaties, uitweidingen en kleine essays waarmee het doorspekt is komen hier beter tot hun recht. Wieners stijl helpt daarbij. Hij is geen virtuoos van het woord, maar heeft wel een vrij precieze pen.

De fysieke wereld van de schrijver die de lezer aantreft, is niet groot, ze bestaat voornamelijk uit Zandvoort, Haarlem en zijn zeilboot, maar in zijn hoofd is zijn wereld veel groter. Veel, zo niet alles wat een mensenleven uitmaakt, passeert de revue. ‘Als ik mijn eigen poëtica zou moeten definiëren, dan zou ik de term “inductief schrijven” willen hanteren, waarmee ik bedoel dat ik vanuit het kleine het grote wil laten zien.’

Dat schrijft hij in In zee gaat niets verloren, dat tegelijk met De verhalen is verschenen. In Wieners oeuvrelijst in De verhalen staat het boek al vermeld en wel als roman, ook al is het in wezen niets anders dan een supplement op De verhalen, waarop het naadloos aansluit – romans verkopen nu eenmaal beter. Het boek heeft dezelfde wat hybridische structuur met het verschil dat er geen fictie meer in voorkomt. Een groot deel wordt in beslag genomen door een zaak die nog in het reine gebracht moet worden: de gecompliceerde en trieste geschiedenis van Wieners familie. Hij is van vaders kant van joodse afkomst en wil zichzelf klaarheid verschaffen over wat er voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog met hen is gebeurd.

Hartstochtelijk zeiler

Deze speurtocht wordt afgewisseld met het verslag van een reis met zijn zeilboot Argos, want Wiener is een kundig en hartstochtelijk zeiler. Tussen de bedrijven door zijn er weer de korte essays, mijmeringen en herinneringen. Gaandeweg krijgt de lezer de indruk dat Wiener met dit boek zijn autobiografie aan het afsluiten is, al steekt een paar bladzijden voor het einde de misantropie van vroeger – die hij leek te hebben afgeschud – nog even de kop op en schrijft hij het volgende: ‘Literatuur verwijst naar niets anders dan naar zichzelf, zoals ook iedere schrijver de schepper is van zijn eigen universum: een heelal waarin hij als ster een eenzame baan om de aarde beschrijft en deze op zich zo paradijselijke planeet waarneemt als de sinistere afwerkplaats voor wellust, kwellust en moordlust die de mens ervan heeft gemaakt.’

Dat hij op de eerste bladzijde van De verhalen heeft uitgelegd dat zijn werk naar hemzelf verwijst – ‘fictionele autobiografie’ – lijkt hij nu te zijn vergeten. Of toch niet? De ster die hij is en hoe hij als zodanig de wereld ziet, het verwijst allemaal naar hemzelf. Die sinistere afwerkplaats is zijn werkelijkheid, zijn ogen zien de wereld zo. Nou ja, niet helemaal. Gelukkig voor hem zijn er zijn jonge vrouwen, zijn kinderen en zijn dieren.

Hoeveel verwantschap moet je met een schrijver als Wiener voelen om hem te kunnen waarderen? Alleen al vanwege de omvang is deze bundel niet geschikt voor bezadigde leesclubjes. Het is erg veel wat de lezer voorgeschoteld krijgt, maar wie daar geen bezwaar tegen heeft moest het maar eens met Wiener proberen. Zijn laatste boek is geen definitief afscheid. ‘Als ik helder blijf zal ik blijven schrijven tot mijn laatste lach, misschien geen “primaire” meer, maar dan toch zeker “secundaire”, zoals kritieken en essays’, schreef hij in 2010. Daaraan zullen we hem houden.