De terugkeer van Mussolini

In zijn nieuwe roman verbindt Umberto Eco met overduidelijk plezier alle raadsels en drama’s in Italië tussen 1945 en 1992. Een B-journalist heeft bewijzen voor een mislukte staatsgreep van Mussolini in 1969.

Foto Thinkstock

Het motto ‘everyone loves a conspiracy’ kennen we uit The Da Vinci Code. Maar al ver vóór Dan Brown was er Umberto Eco, die in zijn dikke bibliothriller De slinger van Foucault (1984) een wereldwijd web weefde van alle samenzweringstheorieën rondom de Heilige Graal en de Orde der Tempeliers. En ook in veel van zijn andere romans spelen vermeende samenzweringen en verborgen verbanden een belangrijke rol, van zijn debuut De Naam van de Roos (1980) tot zijn laatste grote roman De begraafplaats van Praag (2010).

Het is dan ook niet verrassend dat Eco’s nieuwe roman Het nulnummer draait om een gigantisch mysterie, dat zo’n beetje alle schandalen van de naoorlogse Italiaanse politiek omvat. De verrassing zit hem in de omvang van het boek. Deed Eco het in het verleden niet voor minder dan vijfhonderd pagina’s, Het nulnummer telt er niet veel meer dan tweehonderd. Het tempo ligt moordend hoog, en de twee belangrijkste personages manifesteren zich als spraakwatervallen.

De verteller van Het nulnummer is Colonna, een 50-jarige B-journalist die anno 1992 betrokken wordt bij de schimmige plannen van een Milanese topondernemer. Deze ‘Commendatore’ wil door het opzetten van een nieuwe krant een pressiemiddel in handen krijgen om door te dringen in de machtigste kringen. De krant zal nooit uitkomen, de Commandeur rekent erop dat een paar nulnummers volstaan om zijn doel te bereiken, maar dat weten alleen Colonna en zijn directe opdrachtgever. Zij moeten de zes nietsvermoedende redacteuren aansturen.

Een van die redacteuren is een zekere Braggadocio, die zich al gauw vastbijt in de volgens hem explosieve zaak waarover hij Colonna tijdens enkele afspraakjes in de kroeg uitgebreid vertelt. Hij meent aan te kunnen tonen dat niet Mussolini maar zijn dubbelganger in 1945 is geëxecuteerd en dat de Duce in 1969 triomfantelijk vanuit zijn ballingsoord naar Italië had moeten terugkeren, toen een ondergrondse fascistische beweging door onder meer bomaanslagen de samenleving probeerde te ontwrichten. Het plan mislukte, maar daarmee hield volgens Braggadocio de inmenging van de fascisten en hun bondgenoten in de Italiaanse politiek bepaald niet op.

Eco heeft er overduidelijk plezier in om alle raadsels en drama’s in Italië tussen 1945 en 1992 met elkaar in verband te brengen. De geheime anticommunistische guerrilla-organisatie Gladio komt voorbij, maar ook het duo Andreotti en Cossiga, de maffia, het onverwachte overlijden van Paus Johannes Paulus I, de bomaanslag op het station van Bologna, de vrijmetselaarsloge P-2, de Rode Brigade en ga zo maar door. Braggadocio – zijn naam is tegenwoordig verbonden aan een zelfverzekerde rapstijl – brengt de dwarsverbanden enthousiast in kaart, maar wordt pas geloofd als hij op een nacht in een donker straatje wordt vermoord. Waarna Colonna zijn leven ook niet meer zeker is.

Er zijn pagina’s in Het nulnummer waarop het lijkt alsof je beland bent in De betovering van lijsten (2009), Umberto Eco’s aanstekelijke ode aan opsommingen en ‘de poëzie van het enzovoorts’. Niet alleen de uitzinnige theorieën gaan bladzijden door, maar ook een inventarisatie van pseudo-ridderordes die wachten op hun kans om de wereld over te nemen, een lijst van clichés die in de journalistiek gebruikt worden én een lijst van omgekeerde gemeenplaatsen: ‘soms overtreft de fantasie de werkelijkheid, het spreekt dat ik racist ben […] beter rijk dan tevreden, ik ben seniel maar niet oud […] in wezen heeft Mussolini ook een hoop walgelijke dingen uitgehaald, Parijs is lelijk maar de Parijzenaars zijn ontzettend aardig’, et cetera, et cetera.

Genoeg comic relief in Het nulnummer, dat door Eco behalve als een kijkje in de Italiaanse corruptie ook bedoeld is als een satire op de oppervlakkigheid van de journalistiek. Het overleg op de provisorische redactie (lees: het gehakketak tussen Braggadocio en een licht-autistische journaliste die al snel de vriendin van Colonna wordt) is zeer amusant en onderstreept Eco’s gevoel voor humor, dat kennelijk niet altijd verwijzingen naar de wereldliteratuur nodig heeft.

Wat in Het nulnummer ontbreekt is spanning. Eco doet zijn best die op te bouwen met een eerste hoofdstuk, een flashforward, waarin Colonna aan paranoia ten prooi valt als hij erachter komt dat ’s nachts de hoofdkraan in zijn gootsteenkastje is dichtgedraaid. Maar nadat hij heeft verteld waarom hij – als vertrouweling van de vermoorde Braggadocio – reden heeft om bang te zijn, wordt het verhaal in twee korte hoofdstukjes afgewikkeld.

In een roman van Eco op zijn best was de uiteindelijke vlucht van Colonna uit Milaan het begin geweest van een aaneenschakeling van spannende gebeurtenissen die zou leiden tot een dramatische en onvermoede ontknoping. Nu blijf je als lezer zitten met het idee dat je het kopstuk van een veelbelovende roman hebt gelezen; je hebt gelachen, je bent geïmponeerd door de kennis die de auteur tentoonspreidt, je hebt je gelaafd aan de jazzy snelheid waarmee het verhaal wordt opgebouwd… en dan is het plotseling afgelopen. Laten we Het nulnummer een tussendoortje noemen; en hopen dat de 83-jarige Eco de volgende keer weer met een échte roman komt.