Column

Bij de komende verkiezingen valt niets te kiezen

Het worden wellicht de vreemdste verkiezingen in de Nederlandse parlementaire geschiedenis, voorspelt Ilja Leonard Pfeijffer.

‘Lees maar”, zegt Martinus Nijhoff in zijn gedicht Awater. „Er staat niet wat er staat.” Woensdag mogen we een stem uitbrengen waarmee we onze volksvertegenwoordigers mogen afvaardigen naar de Provinciale Staten, zo staat er geschreven. Maar de kiescommissie mijmert gekkenpraat. Het gaat niet over waar het over gaat. Het worden wellicht de merkwaardigste verkiezingen in de Nederlandse parlementaire geschiedenis.

De campagne gaat over landelijke issues en wordt gevoerd door de partijleiders uit Den Haag, die niet verkiesbaar zijn en op geen enkele kieslijst staan. De lijsttrekkers van de verschillende partijen in de verschillende provincies zijn volslagen onzichtbaar. Dat komt doordat de werkelijke inzet van de verkiezingen de samenstelling van de Eerste Kamer betreft, waar de huidige coalitie geen meerderheid heeft en waarschijnlijk ook niet zal krijgen. Ze zullen naar alle waarschijnlijkheid opnieuw afhankelijk zijn van samenwerking met de zogenoemde constructieve oppositie. Dus je zou kunnen zeggen dat er, ongeacht de uitslag van de verkiezingen, niets zal veranderen. „Elk woord vernieuwt de stilte die het breekt.”

In theorie is de samenstelling van de Eerste Kamer een afspiegeling van de wil van de kiezer, zij het via een getrapte procedure. Maar in de praktijk ligt dat niet zo simpel. Er wordt gemarchandeerd en uitgeruild. En wat nu als de lokale partijen flink winnen in de provincies? Aan welke landelijke partij geven hun kiesmannen hun steun in ruil voor wat? In de praktijk wordt de samenstelling van de Eerste Kamer, die bij de verkiezingen op het spel staat maar die er in feite niet toe doet, slechts ten dele bepaald door de verkiezingen.

Bovendien mag het een historische curiositeit heten dat er bij de komende verkiezingen niets te kiezen valt. Er is geen tegenstelling tussen links en rechts, want die regeren samen en willen samen verder. Er is geen oppositie, want die steunt het kabinet en wil dat blijven doen. „De enige oppositiepartij is de PVV”, zei Wilders in het televisiedebat van eergisteren en daar heeft hij een punt. Maar een stem op de PVV verandert evenmin iets, want geen enkele partij zal ooit nog met de PVV samenwerken, waardoor de kans dat haar standpunten in beleid worden omgezet nihil is.

En de inzet van dit alles is het Haagse beleid, dat slechts een minieme invloed kan uitoefenen op de toestand in het land. Een schommeling in de olieprijs heeft meer invloed dan alle moeizaam uitonderhandelde begrotingen bij elkaar. Het Europees beleid en mondiale ontwikkelingen degraderen elk Haags wetje tot gemorrel in de marge. Daarmee zijn het dan toch nog provinciale verkiezingen, zoals al onze verkiezingen.

Uiteindelijk gaat het slechts om de illusie die Nijhoff in Awater als volgt formuleert: „Dat gij het puurst geluk smaakt dat voor het individu is weggelegd: te weten, ik werd bestuurd.”