Begeleid de neergang van Groningen, Limburg en Zeeland

Laat een ‘Gedeputeerde van Krimp’ basisschooltjes tussen al die krimpdorpen verdelen, adviseren Steven Brakman en Arjen van Witteloostuijn.

In de aanloop naar de verkiezingen voor de Provinciale Staten op 18 maart komt D66-voorman Alexander Pechtold met een opvallend voorstel: een nieuw kabinet zou een ‘Minister van Krimp’ in de gelederen moeten opnemen.

Het voorstel weerspiegelt de grotere aandacht voor de dreigende leegloop van het platteland. ING Bank publiceerde onlangs een rapport waarin wordt voorspeld dat de huizenprijzen in de krimpgebieden het komende decennium niet zullen stijgen. Het gaat vooral over Noordoost-Nederland, Limburg en Zeeland, maar veel gemeenten in andere delen van het land krijgen eveneens met krimp te maken.

Sommige ramingen gaan uit van een op de drie gemeenten. De kern van het probleem is tweeledig. Ten eerste is op termijn van bevolkingsgroei in Nederland geen sprake meer. Ging het Centraal Bureau voor de Statistiek tot voor kort uit van een absolute daling van de Nederlandse bevolking, recentelijk is de verwachting bijgesteld tot een stabilisatie vanaf 2035 (deels dankzij een immigratieoverschot). Als bij een groeiende bevolking al regionale krimp optreedt, dan zal het probleem alleen maar groter worden bij een stagnerende bevolkingsgroei.

Een zichtbare consequentie hiervan is de sterke vergrijzing in krimpgebieden, met alle gevolgen van dien in de nasleep van het inzakken van regionale economische vitaliteit. De lokale handel in elektrische fietsen maakt een bloeitijd door, maar daar blijft het helaas bij.

In de tweede plaats zijn alle regio’s in Nederland nauw met elkaar verbonden. De provincies Groningen, Limburg en Zeeland bevinden zich niet op een (kleiner wordend) eiland, maar zijn voor hun ontwikkeling afhankelijk van wat in de rest van Nederland gebeurt. Het is vooral de Randstad die een grote aantrekkingskracht heeft. Werknemers vinden daar een baan, en bedrijven vinden daar de juiste werknemer. Dit samenspel maakt de Randstad aantrekkelijk voor nieuwe vestigingen en voor jong ondernemerschap.

Door de grote lokale markt in de Randstad kunnen gespecialiseerde bedrijven en gespecialiseerde werknemers elkaar gemakkelijk vinden. Bovendien kan de Randstad zich door die grote lokale markt veel diversiteit permitteren: het Concertgebouworkest is bijvoorbeeld levensvatbaarder in de Randstad dan in de provincie. Naast de handel in elektrische fietsen floreert in de Randstad ook de handel in crossfietsen, ligfietsen, tandems, racefietsen, etc. En elke geloofsovertuiging kan z’n eigen school levensvatbaar houden.

In de krimpgebieden heeft de achterblijvende bevolking eerder met het tegenovergestelde te maken: een krimpende en vergrijzende arbeidsmarkt waarop vraag en aanbod slecht op elkaar aansluiten, een te kleine schaal om voorzieningen in stand te houden (detailhandel, scholen, ziekenhuizen, zwembaden, et cetera). En boven deze sombere neergang zweeft als een zwaard van Damocles de extra problematiek van de woningmarkt.

Bevolkingskrimp laat zich vaak direct voelen op de huizenmarkt. Leegstand, dalende prijzen en verpaupering maken een gebied snel onaantrekkelijk. De armoedeval zet de regionale levensvatbaarheid verder onder druk. Een hardnekkige asymmetrie op de woningmarkt zorgt voor de doodsteek. Bij stijgende prijzen wordt het huizenaanbod snel uitgebreid; bij dalende huizenprijzen wordt het bestaande aanbod niet of heel traag afgebroken. Mensen met een minimumloon of een uitkering kunnen hun lage reële inkomen compenseren door in krimpgebieden te blijven wonen omdat de woonlasten daar laag zijn. Ook dat draagt niet bij aan een goed functionerende arbeidsmarkt en economische vitaliteit.

Hoewel geleidelijk gemeentegrensoverschrijdende plannen worden ontwikkeld om bijvoorbeeld de huizenmarkt te reguleren – in de provincie Groningen zijn in de afgelopen tien jaar meer huizen gesloopt dan bijgebouwd – constateert het Sociaal en Cultureel Planbureau dat op provinciaal en regionaal niveau onvoldoende coördinatie is om de leefbaarheid in krimpgebieden te handhaven.

In plaats van te vechten tegen de aantrekkingskracht van de Randstad, moet beleid in krimpregio’s de neergang begeleiden. Hier komt een belangrijk inzicht van de econoom John Maynard Keynes om de hoek kijken: wat op lokaal beleidsniveau rationeel is, leidt op een hoger beleidsniveau tot irrationele uitkomsten.

Op dorpsniveau is het vechten voor het behoud van de lokale basisschool goed te begrijpen, maar als alle dorpen dit doen staan overal half lege basisscholen weg te kwijnen. Overkoepelende beleidscoördinatie is dus noodzakelijk: welke basisschool moet sluiten en welke mag openblijven? Dat is bijzonder pijnlijk, maar het alternatief is erger. Een duivels dilemma voor lokale bestuurders, omdat de keus voor het ene dorp een keus tegen het andere inhoudt.

Het voorstel van Alexander Pechtold is dus zo gek nog niet, maar is niet erg opportuun in niet-landelijke verkiezingen. Voordat een nieuwe minister in een nieuw kabinet wordt aangesteld, moeten wij onze provinciale vertegenwoordigers kiezen.

Krimpcoördinatie is een belangrijke taak voor de bestuurders die straks de provinciehuizen zullen bewonen. Met de benoeming van krimpgedeputeerden in de krimpprovincies kan een wereld worden gewonnen.

    • Steven Brakman
    • Arjen van Witteloostuijn