Bed, bad, brood. En nog 75 jaar nietsdoen

Er wonen afgewezen asielzoekers in de Pauluskerk. Op straat moeten ze voorzichtig zijn. Fietsen op de stoep betekent: detentie. „Kijk mij nu: ik ben alles kwijt, ik leef in het donker.”

Frank van Dijl Vincent Dekkers

Het vogeltje hipt en tript in zijn kooi, wipt op het schommeltje, tikt met zijn snavel tegen het spiegeltje. „Ik werk ook vaak ’s avonds, dan kan het hier stil zijn”, zegt Sjany Middelkoop (61). „Zo heb je toch wat leven, zeiden de mensen die mij het vogeltje gaven.”

Overdag is er leven genoeg in de Pauluskerk. „Het is hier altijd multitasken”, zegt Sjany. Ze noemt zich „vliegende keep” sinds ze dominee Dick Couvée (die met ziekteverlof is) als coördinator vervangt, want haar werk als vluchtelingenwerkster gaat ook gewoon door. „Dat doe ik hier al vijfentwintig jaar. Ik hoor bij het meubilair.”

Ze heeft een kantoortje achterin de Pauluskerk met uitzicht op de Rotterdamse Schouwburg. Als we ernaartoe lopen, houden mensen in de deur, in het gangetje, in de wachtkamer haar staande. Samuel mag mee naar binnen, een stevige jongeman, zo op het oog één bonk energie. Aan het bureau hoor ik hem tegen Sjany zeggen dat hij zo graag iets wil doen.

Maar dat is het nou juist: hij mág niets doen. Ja, van Sjany wel, en zolang de klusjes zich beperken tot de Pauluskerk is er weinig aan de hand, maar dan heb je het over het schoonmaken van wc’s en dat soort dingen. Buiten de Pauluskerk mag Samuel geen hand uitsteken omdat hij als uitgeprocedeerde asielzoeker geen papieren heeft.

Om diezelfde reden moet hij, zegt Sjany, als hij naar buiten gaat, altijd op zijn hoede zijn. Niet opvallen. Niet op de stoep fietsen, ervoor waken dat het achterlicht het doet. Als je om zoiets futiels wordt aangehouden, ben je de lul. Dan kun je wel zeggen: „Ik hoor bij de Pauluskerk”, maar als je geen papieren hebt, ga je toch in detentie en dan kom je van de regen in de drup.

Ze hebben het niet gered

Want daarover laat Sjany geen twijfel bestaan: je mag in de Pauluskerk bed, bad en brood krijgen, je zit hoe dan ook in een nare situatie. Je bent niemand. Je hebt je geboorteland achter je gelaten, je bent in Nederland terechtgekomen, je verzoek om asiel is afgewezen en je kunt – of je wilt – niet terug. „Voor deze mensen zijn wij de laatste strohalm”, zegt Sjany. „Ze hebben het overal geprobeerd en het niet gered. We willen niet dat ze in deze situatie blijven hangen, dus we proberen toch nog iets voor hen te betekenen.”

Dat is dus op zijn minst bed, bad en brood. Pas nadat de Amsterdamse voorzieningenrechter half december had bepaald dat gemeenten uitgeprocedeerde asielzoekers noodopvang moeten bieden, is er een officiële regeling – zij het van tijdelijke aard. De elf mensen die nu in de Pauluskerk worden opgevangen, krijgen van de gemeente tien euro per dag voor voedsel, kleding en persoonlijke verzorging. Ook betaalt de gemeente de kosten van huisvesting en toezicht. Per uitgeprocedeerde asielzoeker is de gemeente 63 euro per dag kwijt, daarvan gaat tweederde naar het nachtelijk toezicht.

„Ja”, zegt Sjany, „dat moet wel, want we houden ons aan strenge regels. Niet iedereen kan zomaar in de Pauluskerk blijven slapen. Als een Afrikaan die hier een bed heeft, wordt gebeld door een andere Afrikaan die voor de deur staat, kan die hem niet weigeren want dat hoort niet in zijn cultuur. We zagen ons al beginnen met drie Afrikanen en eindigen met een huis vol. Vandaar dat nachtelijk toezicht. Er mag trouwens ook absoluut niet worden gerookt, wat nog best moeilijk is want ze zitten allemaal in de stress, deze mensen.”

Crooswijk kreeg er lucht van

De Pauluskerk heeft tweeëntwintig plekken voor uitgeprocedeerde asielzoekers. Sjany denkt dat de nog beschikbare plekken snel gevuld zullen zijn, nu een andere, tot voor kort geheime opvang in Crooswijk moet worden gesloten omdat de buurt er lucht van had gekregen.

Soms helpt Sjany bij het opstarten van een nieuwe procedure („maar dat doen we niet voor een zere pink”), soms, zegt ze, „zit meer er niet in en moet je eerlijk zijn. Dan proberen we mensen te bewegen om na te denken over terugkeer. Ze hoeven natuurlijk niet op een achternamiddag te beslissen, we voeren er langdurige gesprekken over. Willen ze niet, is dit dan wat ze willen met hun leven?

„Neem Samuel, die is piepjong; stel dat hij honderd wordt, dan zit hij nog vijfenzeventig jaar in deze situatie. Nog vijfenzeventig jaar niks doen – dat is de consequentie van geen papieren hebben. Realiseer je dat, zeggen we, kijk op internet hoe het in jouw land is, weet dat de gebraden duiven je hier niet in de mond vliegen, zo ideaal is het hier ook niet meer. Zo probeer je mensen rijp te maken voor het idee. Teruggaan is voor hen het menswaardigst; niemand is erbij gebaat dat ze hier verkommeren.”

Dat moet dan natuurlijk wel kunnen, teruggaan, en dat is niet altijd het geval. Voor Ayana Getahun is het te gevaarlijk. Als journalist zag hij het als zijn plicht om onafhankelijk te berichten over hoe zijn land, Ethiopië, wordt bestuurd. „Ik leefde een fatsoenlijk, waardig leven, ik had een druk bestaan. Ik reisde, maakte programma’s over vluchtelingen uit Soedan, uit Kenia. Kijk mij nu: ik ben alles kwijt, ik leef in het donker, ik heb geen toekomst, ik kan nergens heen. Ik ben niet welkom in Nederland, maar ik kan hier ook niet weg.”

Hij is hier sinds 2009 en zal met zijn lot moeten leren leven, beseft hij. Hij is vrijwilliger in de kerk: „Zo heb ik het gevoel dat ik nog iemand ben.” Hij gidst me door de kerkzaal, laat zien hoe de twaalfhonderd kilo wegende ovale kerktafel door onzichtbare wieltjes gemakkelijk te verplaatsen is, wijst op het orgel bovenin. „Dat is niet het oorspronkelijke orgel, want dat paste hier niet”, zegt hij. „Dit orgel komt uit West-Brabant.”

Ik vraag hem of hij, journalist immers, schrijft over zijn situatie. Maar nee, zegt hij, „ik heb niet de moraal, niet de moed. Ik ben niet geïnteresseerd in schrijven.” Hij zwijgt even. „Ik heb er nooit bij stilgestaan dat ik opgesloten zou komen te zitten in een situatie als deze.”

    • Frank van Dijl
    • Vincent Dekkers