Alpensneeuw maakt doden in de Betuwe

Ook deel 6 van Duizend jaar weer barst van de rampspoed. Zo leidde een vulkaanuitbarsting op IJsland in 1783 in Holland tot roestkleurig linnengoed, verwelkte peterselie en zwaveldampen.

De Tambora-krater op Soembawa, met een doorsnee van zes kilometer en een diepte van ruim 1.100 meter. Foto AFP/ NASA/Getty

Op 1 november 1755 gebeurt er iets eigenaardigs in de Nederlandse vaarten, kanalen en grachten. Het water gaat zomaar stijgen en dalen, borrelen en bruisen. Sluisdeuren gaan vanzelf open en dicht, schepen worden van hun touwen gerukt. Niemand begrijpt waarom. Het nieuws reist langzaam in die dagen: vier weken later wordt bekend dat Lissabon is verwoest. Aardbeving in de oceaan (9 op de schaal van Richter), tsunami, brand, tienduizenden doden. Wie nog dacht dat we leven ‘in de beste van alle mogelijke werelden’ begon te twijfelen, anderen konden niet uitleggen waar Gods toorn vandaan kwam.

De Lissabon-ramp was berucht en beroemd, maar dat het Haarlemmermeer een bubbelbad was: zulke gegevens vind je alleen in Jan Buismans Duizend jaar weer, wind en water in de lage landen. Een groots historisch-geografisch standaardwerk, dat de fysieke levensomstandigheden van onze landstreken beschrijft, vanaf de Middeleeuwen tot nu. Onlangs verscheen deel 6 (1750-1800), een belevenis.

Bij Buisman lezen we dat de ansjovisvangsten in voorjaar 1779 beter zijn dan ooit, en dat er gesjoemeld wordt met aardbeipotten en de dikte van de bossen asperges – men krijgt steeds minder waar voor zijn geld. Klein nieuws natuurlijk, in dit opzicht functioneert ‘de Buisman’ als bron voor historici. In Duizend jaar weer is ook veel aandacht voor mensen die het weer bijhielden in lijstjes, die steeds wetenschappelijker worden.

Hooiprijzen

Wat voor weer was het van 1750 tot 1800? We leefden in de Kleine IJstijd, die Buisman situeert van 1430 tot omstreeks 1840, met 1800 als vierde en laatste dieptepunt. Hij baseert zich op gegevens over ijsgang, misoogsten (door late of juist extreem vroege vorst), dichtvriezen van rivieren. Bij de beschrijvingen van het zomerseizoen let hij op de hooiprijzen, drinkwaterproblemen (bij droogte), en ook de wijnoogst in de Franse Bourgogne – een redelijk betrouwbare graadmeter voor de temperatuur– en neerslagstand bij ons.

Weer, wind en water trekken zich niets aan van nationale grenzen. Twee voorbeelden. Op 22 juni 1783 komt de zon in Friesland rood op, om tien uur is het erg warm. De mensen zien in hun moestuin dat de peterselie verwelkt, het linnen wasgoed op het bleekveldje vertoont roestkleurige vlekken, water uit de regenput smaakt naar salpeter. In Zwanenburg (NH) hangt een kwalijke nevel (‘droge smoor’), die ruikt naar broeiend hooi of rotte vis, en naar zwavel smaakt. Gevolgen van de uitbarsting van de Laki, een spleetvulkaan op IJsland. Hevige sneeuwval in de Alpen leidt tot verdrinkingsdoden in de Betuwe.

Zo is er de ‘verschrykkelijke watersnood des jaars 1757’, of die van 1784: ‘De dyken waren als bezaaid met halfnaeckte gevlodene en geredde menschen’. Het midden van ons land was een soort binnenzee, zegt Buisman. Om vervolgens in te gaan op pogingen tot waterbeheer. Het aanleggen van overlaten, rivierbochtafsnijdingen en verbeterde distributie van het Rijnwater via haar diverse takken – Waal, IJssel en verder.

Een ander belangrijk thema is weer en oorlog. En oorlogen hadden we nogal wat in de tweede helft van de 18de eeuw. Als het regent worden de geweerlonten nat en kan men niet schieten, kanonnen gaan niet over modderwegen, waterlinies staan droog bij gebrek aan water – een teveel is ook niet goed, dan kan de vijand varen – en als het ijs sterk is kan de vijand binnentrekken.

Opmerkelijk is Buismans aandacht voor de gewone man. Wat eet men ’s zomers en wat ’s winters als er niks meer groeit? We lezen over het verband tussen weer en ziekte, met name over hoe men daar toen over dacht: ‘Aanhoudende hitte en droogte kunnen de verandering der dierlyke vochten door de natuurlyke warmte bepaald, stooren en zaden tot ziekten voorbrengen’, schreef men in het dysenterie-jaar 1779.

Verbanden, historische nieuwsfeiten, neerslagoverzichten, temperatuurstatistieken, weermannen, waterbeheerders, windkijkers – voor elk wat wils. Buisman is de ouderwetse, ideale leraar, met een enorm talent voor aanschouwelijkheid en vertellen. Vaderlandse wolkenluchten en de schilderkunst, over de Wonderbare Zalmvangst in de Merwede (1752), het balspelverbod op zondag te Woerden (1757), wolvenroedels bij Den Bosch (1757), de eerste goudvis in Nederland (1774), er komt geen einde aan.

Schokgolf

We zullen er in deel VII van Buismans Duizend jaar weer ongetwijfeld óók de sporen van terugvinden, maar Philip Dröge wijdde er alvast een afzonderlijk boek aan: op 10 april 1815 ontplofte op het Nederlands-Indische eiland Soembawa supervulkaan Tambora, met een kracht van 34.000 megaton TNT (duizenden Hiroshima-bommen sterk). De knal wordt op meer dan 2500 kilometer gehoord, de schokgolf reist meermalen de aarde rond en brengt hele zeeën aan het borrelen en kolken.

In zijn prettig geschreven De schaduw van Tambora. De grootste natuurramp sinds mensenheugenis beschrijft Dröge de verbijsterende gevolgen van deze uitbarsting wereldwijd. In januari 1816 vriest het 22 graden in Rome, in Hongarije valt er bruine sneeuw, op Sicilië zijn de vlokken rood, een paar weken eerder regent het kevers, spinnen, en groene rupsen bij miljoenen te Vallorbes, Frankrijk. De Tambora-zwavelwolk veroorzaakt vissterfte in Amerika – een ooggetuige spreekt van ‘duizend wagenladingen op een stuk strand van zeven mijl.’ Tot nog in 1817 worden er in Zwitserland kinderen grazend in een weiland waargenomen, omdat er niets dan gras te eten is.

Leunend op een vloed aan researchmateriaal schetst Dröge de gevolgen van die ene knal. Voor elke beschreven plaats op aarde kiest hij één persoon of kleine gemeenschap, en zijn/haar gang door de extreem koude en extreem hongerige jaren 1816 en 1817. Een bijzonder leerzaam boek. De les? Ons leven ‘in de beste van alle mogelijke werelden’ is betrekkelijk, en niet altijd even best.