Wat doet er toch zo’n pijn steeds?

Drie topspelers van Feyenoord, Ajax en PSV konden afgelopen weekend niet spelen vanwege een hamstringblessure. Deze spierblessure is de meest voorkomende en toch weten artsen er weinig van af. Hoe komt dat?

...en die van Ajax-spits Arek Milik. Foto’s Olaf Kraak

Het is een van de meest voorkomende voetbalblessures: de hamstringblessure. Voorheen was de knieblessure nog de klassieke plaaggeest. Bekend beeld op de velden: de speler schakelt van een snelle sprint plotseling over naar een aarzelend huppeltje. Met een van pijn vertrokken gezicht en grijpend naar de hamstring. Het overkomt spelers vaak, maar we weten er opvallend weinig over.

Deze spierblessure is moeilijk te voorspellen, duikt zomaar op als een onaangename verrassing in het achterbeen van een speler. Zie de aanvalslinie van de top drie in de eredivisie: Colin Kazim-Richards (Feyenoord), Arek Milik (Ajax) en Adam Maher (PSV) ontbraken dit weekeinde dankzij de hamstring. Samen met zeven andere spelers in de eredivisie.

Achter de schermen wordt door heel Europa druk gewerkt aan onderzoek, met de UEFA en KNVB onder de belangstellenden. Maar het blijft een mysterieus fenomeen volgens sportarts Cees-Rein van den Hoogenband. „Veel vragen, veel onderzoek. Maar weinig antwoorden.”

De chef-arts van NOC*NSF is niet de enige die zijn hele carrière de hamstring in de gaten houdt. Ook KNVB-arts Edwin Goedhart is gefascineerd door de puzzel. Het grootste probleem is de frequentie van de blessure: hamstringproblemen treffen gemiddeld vijf à zes spelers per team. Per jaar. De blessure slaat vaak toe zonder dat van een duel sprake is. Denk aan de oefenwedstrijd van Oranje tegen Hongarije, juni 2010. Arjen Robben denkt met een flitsend hakje een mooie pass te geven. Maar alsof hij met een zweep geslagen is, hinkt hij daarna van het veld. Niet in staat nog fatsoenlijk op zijn been te staan. Robben bleek een scheurtje in zijn hamstring te hebben opgelopen. Dankzij intensieve therapie van Dick van Toorn in Rotterdam wist hij toch nog het WK te halen.

De kennis is beperkt

Vele andere slachtoffers volgden. Ook bij Van den Hoogenband staat het beeld nog op zijn netvlies. Toen hij bij PSV werkte en Robben zelf behandelde, kampte de aanvaller een paar keer met hamstringproblemen. „Ik snap er nog steeds niets van, waarom dat toen in Oranje door dat hakje gebeurde. Maar de blessure heeft zo veel oorzaken. De frequentie hebben we nu redelijk in kaart gebracht. De UEFA houdt in samenwerking met Europese topclubs bij – in Nederland weet ik dat PSV en Ajax meewerken – hoe frequent het voorkomt. Maar verder is de kennis enorm beperkt.”

Langzaam wordt meer kennis bijeen gesprokkeld. Van den Hoogenband is geïntrigeerd door het onderzoek van de Nederlandse arts-onderzoeker Guus Reurink. „Daaruit blijkt dat de MRI-scan waar we al jaren op vertrouwen, niet per se de beste raadgever is. De ernst van de blessure is niet altijd goed te zien en afwijkingen zijn zelfs nog zichtbaar als de speler alweer helemaal fit is en kan spelen. Nu wordt er gewerkt aan 3D-scans en andere manieren om de diagnostiek te verbeteren. Toch zal het echt langetermijnwerk zijn, voor we alles weten.”

Huidig bondsarts Goedhart heeft niet stilgezeten sinds het hinken van Robben vijf jaar geleden. Uren spendeert Goedhart langs de lijn, elke beweging nauwkeurig analyserend. „Het valt mij op dat het vaak in clusters voorkomt: diverse spelers hebben tegelijk last. Dan kijk je naar de belasting en belastbaarheid in wedstrijden en trainingen. Het moment dat de blessure toeslaat, is meestal in de laatste fase van een wedstrijdhelft. En ook is het een belangrijke factor of de speler al eerder een hamstringblessure heeft gehad.”

Herhaling slaat vaak toe, zoals bij de internationals Leroy Fer en Robben. Voorkoming is niet eenvoudig. „Een topvoetballer die zich precies op de lijn van gezond en ongezond bevindt, in de hoogste vorm van fitheid, is veilig. Alles daarbuiten is risico. Ik kan het nog niet hard maken, maar denk dat een hamstringblessure sluimerend begint in een trainingsweek en niet in de wedstrijd zelf. De spier is dan te veel of juist te weinig getraind doordeweeks, met te zwak weefsel als gevolg, en bij de prikkel van een wedstrijd komt dat in het weekeinde tot uiting.”

Een hamstringblessure heb je zo

Een standaard behandelschema is er (nog) niet. De blessure kent verschillende gedaanten: verrekkingen, kleine scheurtjes en fikse scheuren, soms is ook de pees beschadigd. Het laatste is het meest gevreesd en schakelt de speler maandenlang uit. Om het voorspellen nog moeilijker te maken, wordt de blessure niet door een specifieke, maar door uiteenlopende bewegingen uitgelokt. Felle sprint, overrekking, wegdraaiende beweging en blijkbaar zelfs een hakje: een voetballer maakt ze allemaal, en is daarom de belangrijkste doelgroep voor de blessure.

Intrigerend, vindt de Oranje-arts die deze zomer nog langs de WK-velden in Brazilië stond. „De hamstringblessure is een waanzinnig interessante puzzel. Want ‘de hamstringblessure’ bestaat eigenlijk niet. Er zijn drie spieren die beschadigd kunnen zijn. De plek van de beschadiging bepaalt de ernst en de herstelperiode. Die beschadigingen zijn op hun beurt óók anders – een verrekking of een scheur is een wereld van verschil”, zegt Goedhart. Eigenlijk kun je er in algemene termen weinig over zeggen. „Topsport – en specifiek topvoetbal – is juist gebaseerd op individuele gevallen, uitersten, extremen.”